selective focus of white snow butte

Id, ego en superego van Sigmund Freud

Misschien wel het meest duurzame en belangrijkste idee van Freud was dat de menselijke psyche en persoonlijkheid meer dan één aspect heeft. In zijn beroemde psychoanalytische persoonlijkheidstheorie (1923) bestaat persoonlijkheid uit drie elementen: id, ego en superego, die zich allemaal in verschillende stadia van ons leven ontwikkelen. Deze drie elementen van persoonlijkheid werken samen om complex menselijk gedrag te creëren.

Elk onderdeel voegt niet alleen zijn eigen unieke bijdrage toe aan persoonlijkheid, maar alle drie de elementen interacteren op manieren die een krachtige invloed hebben op elk individu. Elk van deze drie elementen van persoonlijkheid komt op verschillende momenten in het leven naar voren.

Volgens de theorie van Freud zijn bepaalde aspecten van je persoonlijkheid ouder en kunnen ze je onder druk zetten om op je meest elementaire verlangens te reageren. Andere delen van je persoonlijkheid zijn aan het werk om deze neigingen tegen te gaan en je aan te passen aan de eisen van de werkelijkheid.

Dit zijn systemen, geen delen van de hersenen of fysiek gescheiden delen van een mens. De drie maakten samen deel uit van wat Freud ‘der psychischer Apparat’ of ‘het psychische apparaat’ noemde.

Wat zijn Id, Ego en Superego?

Volgens Freud’s psychoanalytische theorie is:

  • het id het primitieve en instinctieve deel van de geest dat seksuele en agressieve driften en verborgen herinneringen bevat,
  • het superego een moreel geweten,
  • het ego het realistische deel dat bemiddelt tussen de verlangens van het id en het superego.

Hoewel elk deel van de persoonlijkheid unieke kenmerken bevat, vormen ze een geheel en levert elk deel een relatieve bijdrage aan het gedrag van een individu.

Wat is het id?

Het id is de enige component van persoonlijkheid die aanwezig is vanaf de geboorte. Dit aspect van persoonlijkheid is volledig onbewust en omvat het instinctieve en primitieve gedrag. Het id houdt zich bezig met het primaire procesdenken, dat primitief, onlogisch, irrationeel en fantasierijk is. Deze vorm van procesdenken heeft geen begrip voor de objectieve werkelijkheid en is egoïstisch aard.

Het id is het impulsieve en onbewuste deel van onze psyche dat direct en onmiddellijk reageert op basisdriften, behoeften en verlangens. Het id werkt volgens het plezierprincipe of genotsprincipe (Freud, 1920), dat wil zeggen dat aan elke gewenste impuls onmiddellijk moet worden voldaan, ongeacht de gevolgen. Wanneer het id zijn eisen bereikt, ervaar je plezier en wanneer het wordt ontkend ervaar je spanning. Een toename van honger of dorst moet bijvoorbeeld leiden tot een onmiddellijke poging om te eten of drinken.

De persoonlijkheid van een pasgeboren kind bestond volgens Freud alleen uit het id. Pas later ontwikkelt het een ego en super-ego. Het id is al vroeg in het leven erg belangrijk, omdat het ervoor zorgt dat aan de behoeften van een kind wordt voldaan. Als de baby hongerig of ongemakkelijk is, zal hij of zij huilen totdat aan de eisen van het id is voldaan.

Omdat baby’s volledig door het id worden bestuurd, is er geen reden om met hen te redeneren. Stel je voor dat je een baby probeert te overtuigen om te wachten tot de middag om zijn maaltijd te eten. Dat gaat niet want het id eist onmiddellijke bevrediging, en omdat de andere componenten van persoonlijkheid nog niet aanwezig zijn, zal het kind huilen totdat deze behoeften vervuld zijn.

Onmiddellijk in behoeften voorzien is bij volwassenen niet altijd realistisch of zelfs mogelijk. Dit soort gedrag zou zowel ontwrichtend als sociaal onaanvaardbaar zijn. Volgens Freud probeert het id de spanning op te lossen door een mentaal beeld te schetsen van het gewenste object als een manier om aan de behoefte te voldoen.

Hoewel mensen uiteindelijk leren om het id te beheersen, blijft dit deel van de persoonlijkheid detzelfde oerkracht gedurende het hele leven. Het id blijft infantiel in zijn functie gedurende je hele leven en verandert niet met tijd of ervaring, omdat het niet in contact staat met de buitenwereld. Het id wordt niet beïnvloed door de realiteit, de logica of de alledaagse wereld, omdat het opereert binnen het onbewuste deel van de geest.

Het id bestaat uit twee soorten biologische instincten of drijfveren die Freud Eros en Thanatos noemde:

Eros of levensinstinct

Eros of levensinstinct helpt je om te overleven; het stuurt levensondersteunende activiteiten zoals ademhaling, eten en seks (Freud, 1925). De energie die door het levensinstinct wordt gecreëerd noemde hij libido.

Thanatos of doodsinstinct

Thanatos of het doodsinstinct beslaat een reeks destructieve krachten die in alle mensen aanwezig zijn (Freud, 1920). Wanneer deze energie naar buiten wordt gericht wordt het uitgedrukt in agressie en geweld.

Freud geloofde dat Eros sterker is dan Thanatos, waardoor mensen kunnen overleven in plaats van zichzelf te vernietigen.

Wat is het Ego?

Het is de ontwikkeling van het ego en de superego die mensen in staat stelt om de basisinstincten van het id te beheersen en te handelen op een manier die zowel realistisch als sociaal aanvaardbaar is.

Het ego is ‘dat deel van het id dat door de directe invloed van de buitenwereld verandert’

(Freud, 1923, p. 25)

Het ego is de component van persoonlijkheid die verantwoordelijk is voor het omgaan met de werkelijkheid. Het ego ontwikkelt zich vanuit het id tijdens de kindertijd. Het doel van het ego is om op een veilige en sociaal aanvaardbare manier te voldoen aan de eisen van het id. Het ego functioneert zowel in de bewuste, pre-bewuste en onbewuste geest.

Het ego ontwikkelt zich om te bemiddelen tussen het onrealistische id en de externe werkelijke wereld. Volgens Freud zorgt het ego ervoor dat de impulsen van het id op een in de echte wereld aanvaardbare manier tot uitdrukking kunnen worden gebracht. Het is de beslissingscomponent van de persoonlijkheid. Idealiter werkt het ego door de rede, terwijl het id chaotisch en onredelijk is.

Het ego werkt vanuit het realiteitsprincipe, dat ernaar streeft om op realistische en sociaal gepaste wijze aan de verlangens van het id te voldoen. Het realiteitsprincipe weegt de kosten en baten van een actie af voordat wordt besloten om te handelen op impulsen of deze te laten varen. In veel gevallen kunnen de impulsen van het id worden bevredigd door een proces van vertraagde bevrediging – het ego zal uiteindelijk het gedrag toelaten, maar alleen op de juiste tijd en plaats. Het ego houdt rekening met sociale realiteiten en normen, etiquette en regels bij het beslissen over hoe zich te gedragen.

Het ego houdt zich bezig met het secundaire procesdenken, dat rationeel, realistisch en gericht is op het oplossen van problemen. Als een plan van aanpak niet werkt, dan wordt er opnieuw over nagedacht tot er een oplossing is gevonden. Dit staat bekend als een realiteitstest en stelt de persoon in staat om zijn impulsen te controleren en zelfcontrole te tonen, via beheersing van het ego.

Stel je voor dat je bijvoorbeeld in een lange vergadering op het werk zit. Je wordt steeds hongeriger naarmate de meeting voortsleept. Terwijl het id je zou dwingen om van je stoel omhoog te springen voor een hapje, zorgt het ego dat je stil blijft zitten en wacht tot de vergadering af is gelopen. In plaats van te handelen op de oerdriften van het id, besteedt je de rest van de bijeenkomst aan het je voorstellen een broodje kaas te eten. Zodra de vergadering voorbij is, kun je een broodje halen en op een realistische en gepaste manier voldoen aan de eisen van het id.

Net als het id zoekt het ego plezier (spanningsvermindering) en vermijdt het pijn, maar in tegenstelling tot het id houdt het ego zich bezig met het bedenken van een realistische strategie om plezier te verkrijgen. Het ego heeft geen concept van goed of fout; iets is goed als je bevrediging bereikt zonder jezelf of het id te schaden.

Vaak is het ego zwak ten opzichte van het eigenzinnige id, en het beste wat het ego kan doen is het id in de juiste richting wijzen. Freud vergeleek het id met een paard en het ego met de ruiter van het paard. Het paard zorgt voor kracht en beweging, maar de ruiter zorgt voor de richting en begeleiding. Zonder zijn ruiter kan het paard gewoon ronddwalen waar het maar wil en doen wat het maar wil. De ruiter geeft aanwijzingen en commando’s om het paard te begeleiden in de richting die hij of zij wil gaan.

Het ego is ‘als een man te paard, die de superkracht van het paard in toom moet houden’.

(Freud, 1923, p. 15)

Wat is het superego?

De laatste component van de persoonlijkheid die zich ontwikkelt is het superego. Het superego is het aspect van persoonlijkheid met al onze geïnternaliseerde morele normen en idealen die we van ouders en de samenleving krijgen. Het superego biedt richtlijnen voor het maken van oordelen.

Het superego werkt om ons gedrag te perfectioneren en beschaafd te maken. Het helpt alle onaanvaardbare neigingen van het id te onderdrukken en worstelt om het ego te laten handelen op grond van idealistische normen in plaats van op realistische principes. Het superego is aanwezig in het bewuste, pre-bewuste en onbewuste.

Het superego omvat de normen en waarden van je ouders en de maatschappij. Het superego ontwikkelt zich tijdens de vroege kinderjaren, wanneer je je identificeert met de ouder van dezelfde sekse, en is verantwoordelijk voor de naleving van de morele normen. Het superego werkt volgens het moraliteitsprincipe en motiveert je om je op een maatschappelijk verantwoorde en aanvaardbare manier te gedragen.

De functie van de superego is om de impulsen van de id te controleren, vooral die welke de maatschappij verbiedt, zoals seks en agressie. Het heeft ook de functie om het ego te overtuigen om zich te richten op moralistische doelen in plaats van alleen maar op realistische doelen en om te streven naar perfectie.

Er zijn twee delen van de superego:

Het geweten

Het geweten bevat informatie over zaken die door ouders en samenleving als slecht worden ervaren. Deze gedragingen zijn vaak verboden en leiden tot slechte gevolgen, straffen of schuldgevoelens en wroeging. Het geweten kan het ego straffen door schuldgevoelens te veroorzaken. Als het ego bijvoorbeeld toegeeft aan de eisen van het id, kan de superego de persoon een slecht gevoel geven door schuldgevoelens.

Het ideale zelf

Het ideale zelf, of ego-ideaal, is een denkbeeldig beeld van hoe je zou moeten zijn, en vertegenwoordigt ambities, hoe je andere mensen moet behandelen, en hoe je je moet gedragen als lid van de samenleving. Het ego-ideaal of ideale zelf omvat de regels en normen voor goed gedrag.

Gedragingen die zijn goedgekeurd door ouderlijke en andere autoriteiten. Het gehoorzamen aan deze regels leidt tot een gevoel van trots, waarde en prestatie. Gedrag dat niet voldoet aan je ideale zelf kan bestraft worden door het superego door schuldgevoel. Het superego kan je ook belonen door als je je ‘goed’ gedraagt trots te laten voelen.

Als je ideale zelf te hoog gegrepen is zal je het gevoel hebben een mislukkeling te zijn. Je ideale zelf en je geweten worden in de kindertijd grotendeels bepaald door de waarden van de ouders en de manier waarop je bent opgevoed.

Het fundamentele dilemma

Wanneer we het hebben over het id, het ego en het superego, is het belangrijk om te onthouden dat dit niet drie totaal gescheiden entiteiten zijn met duidelijk afgebakende grenzen. Deze aspecten van persoonlijkheid zijn dynamisch en altijd allemaal in interactie binnen een persoon om de algemene persoonlijkheid en het gedrag van een individu te beïnvloeden.

Met zoveel concurrerende krachten is het gemakkelijk om te zien hoe conflicten kunnen ontstaan tussen id, ego en superego. Freud gebruikte de term egokracht om te verwijzen naar het vermogen van het ego om ondanks deze worsteling te functioneren. Een persoon met een goede egokracht is in staat om de druk effectief te beheersen, terwijl iemand met te veel of te weinig egokracht te onwrikbaar of te ontwrichtend kan worden.

Het fundamentele dilemma van het menselijke bestaan is volgens Freud dat elk element van de eisen die het psychische apparaat aan ons stelt onverenigbaar zijn met de andere twee. Een innerlijk conflict is vaak onvermijdelijk.

Een inbalans in je persoonlijkheid

Volgens Freud is de sleutel tot een gezonde persoonlijkheid een balans tussen id, ego en superego. Als het ego in staat is om adequaat te bemiddelen tussen de eisen van de werkelijkheid, het id en het superego, ontstaat er een gezonde en goed afgestemde persoonlijkheid. Freud geloofde dat een onevenwichtigheid tussen de elementen zou leiden tot een mal-adaptieve persoonlijkheid:

  • Iemand met een al te overheersend id, bijvoorbeeld, kan impulsief, oncontroleerbaar of zelfs crimineel worden. Deze persoon handelt op zijn of haar meest elementaire aansporingen zonder zorgen of dat gedrag gepast, aanvaardbaar of legaal is.
  • Een overdreven dominant superego daarentegen zou kunnen leiden tot een persoonlijkheid die uiterst moralistisch en mogelijk oordelend is. Deze persoon is niet in staat om iets te accepteren dat hij of zij als “slecht” of “immoreel” beschouwt.
  • Een al te dominant ego kan ook problemen opleveren. Een persoon kan zo verbonden zijn aan de werkelijkheid, regels en gepastheid dat hij of zij niet in staat is om zich op enigerlei wijze spontaan of onverwacht gedrag te vertonen. Dit individu kan heel concreet en rigide lijken, niet in staat om verandering te accepteren.

Wanneer er een conflict is tussen de doelen van het id en het superego, moet het ego als scheidsrechter optreden en dit conflict bemiddelen. Het ego kan verschillende afweermechanismen inzetten om te voorkomen dat het overweldigd wordt door angst.

Lees ook: afweermechanismen van Sigmund Freud

Lees ook: wat is de psychoseksuele ontwikkeling?

Lees ook: De meest interessante ideeën van Sigmund Freud

Bronnen

  • Freud, S. (1920). Voorbij het genotsprincipe. SE, 18: 1-64.
  • Freud, S. (1923). Het ego en het id. SE, 19: 1-66.