child looking at map

Jean Piaget: Wat zijn de stadia van cognitieve ontwikkeling?

Wat is de cognitieve ontwikkelingstheorie van Piaget?

Elke interactie en ervaring heeft invloed op de ontwikkeling in de vroege kinderjaren. Dit ontdekte de Zwitserse psycholoog en bioloog Jean Piaget toen hij zijn theorie van de cognitieve ontwikkeling bestudeerde en ontwikkelde.

De cognitieve ontwikkelingstheorie van Piaget is een theoretisch kader dat in de jaren 1930 werd opgesteld. Piaget’s theorie is gebaseerd op de natuurlijke ontwikkeling van de menselijke intelligentie en richt zich op specifieke handelingen van kinderen en hoe ze met elkaar omgaan binnen hun interne en externe omgeving. Piaget onderzoek ging uit van deze veronderstellingen:

Intelligentie van kinderen verschilt in kwaliteit

De intelligentie van kinderen verschilt van die van volwassenen eerder in kwaliteit dan in kwantiteit. Dit betekent dat kinderen niet gewoon meer informatie en kennis aan hun bestaande kennis toevoegen naarmate ze ouder worden, maar anders redeneren dan volwassenen en de wereld op een andere manier zien.

Kinderen leren actief

Piaget geloofde dat kinderen een actieve rol in het leerproces spelen. Kinderen zijn dus geen blanco blad of passieve wezens die wachten tot iemand hun hoofd met kennis vult. Ze gedragen zich als kleine wetenschappers terwijl ze experimenten uitvoeren, waarnemingen doen, en over de wereld leren. Terwijl kinderen met de wereld om hen heen omgaan, voegen ze voortdurend nieuwe kennis toe, bouwen ze voort op bestaande kennis, en passen ze eerder bestaande ideeën aan om nieuwe informatie te verwerken.

Je begrijpt kinderen door in hun schoenen te staan.

De beste manier om het redeneren van kinderen te begrijpen is om de dingen vanuit hun gezichtspunt te bekijken. Piaget construeerde zijn manieren om kinderen te begrijpen door directe observatie. Hij was de eerste psycholoog die een systematische studie maakte van de cognitieve ontwikkeling. Zijn inzicht was dat kinderen bepaalde taken pas kunnen uitvoeren als ze er psychologisch rijp genoeg voor zijn.

Piaget’s vier stadia van cognitieve ontwikkeling

Piaget’s theorie gebaseerd op vier stadia van ontwikkeling. Hij stelde vast dat deze overgangen plaatsvinden bij 18 maanden, 7 jaar en 11-12 jaar.

Sensorimotorisch stadium

Leeftijd: 0 tot 2 jaar

Kernpunt: denken, geheugen, en imitatie worden gebruikt

Belangrijkste kenmerken en ontwikkelingsveranderingen:

  • De zuigeling leert over de wereld door zijn zintuigen en door zijn handelingen
  • Zuigelingen ontwikkelen een reeks cognitieve vermogens. Deze omvatten: objectpermanentie, zelfherkenning, uitgestelde imitatie en representatief spel.
  • Deze ontwikkelingen houden verband met het ontstaan van de algemene symbolische functie, dat is het vermogen om de wereld geestelijk voor te stellen.
  • Met ongeveer 8 maanden begrijpt de zuigeling de permanentie van voorwerpen en dat ze nog bestaan ook al kan hij ze niet zien. De zuigeling zal ze zoeken als ze verdwijnen.

Preoperationeel stadium

Leeftijd: 2 tot 7 jaar

Kernpunt: herkennen van de symbolische vorm en taalontwikkeling

Belangrijkste kenmerken en ontwikkelingsveranderingen:

  • Peuters en jonge kinderen verwerven het vermogen om de wereld innerlijk voor te stellen door taal en mentale beelden.
  • Jonge kinderen kunnen abstract en symbolisch over dingen denken. Dit is het vermogen om een ding, zoals een woord of een voorwerp, te laten staan voor iets anders dan zichzelf.
  • Kinderen focussen zich op hoe de wereld eruit ziet, niet hoe de wereld is. Het kind is nog niet in staat tot logisch of probleemoplossend te denken.
  • Kinderen vertonen animisme. Dit is de neiging vom te denken dat niet-levende voorwerpen, zoals speelgoed, gevoelens hebben zoals die van een mens.

Concreet operationeel stadium

Leeftijd: 7 tot 11 jaar

Kernpunt: vermogen om praktische problemen op te lossen met behulp van logica.

Belangrijkste kenmerken en ontwikkelingsveranderingen:

  • Kinderen beginnen logisch na te denken over concrete gebeurtenissen.
  • Kinderen beginnen het begrip behoud te begrijpen; begrijpen dat, hoewel dingen van uiterlijk kunnen veranderen, bepaalde eigenschappen gelijk blijven.
  • Kinderen leren dingen mentaal om te keren
  • Kinderen worden minder egocentrisch en beginnen na te denken over hoe andere mensen zouden kunnen denken en voelen.

Formeel operationeel stadium

Leeftijd: 11 tot 15 jaar

Kernpunt: vermogen om abstracte problemen op te lossen met behulp van logica.

Belangrijkste kenmerken en ontwikkelingsveranderingen:

  • Concrete bewerkingen worden op dingen uitgevoerd, terwijl formele bewerkingen op ideeën worden uitgevoerd. Formeel operationeel denken is bevrijd van fysieke en perceptuele beperkingen.
  • Adolescenten kunnen omgaan met abstracte ideeën
  • Ze kunnen een argument volgen zonder in specifieke voorbeelden te hoeven denken.
  • Adolescenten kunnen omgaan met hypothetische problemen met veel mogelijke oplossingen.

Andere concepten van Piaget

Voor Piaget impliceerde cognitieve ontwikkeling een geleidelijke reorganisatie van mentale processen als gevolg van omgevingservaring en biologische rijping. Hij introduceerde de volgende concepten over cognitieve ontwikkeling:

Schema’s

Volgens Piaget zijn het basisbouwstenen van mentale modellen die ons helpen een mentale voorstelling van de wereld op te bouwen. Het schema is de basisbouwsteen of de blauwdruk van intelligent gedrag. Het verwijst naar handelingen, voorwerpen en abstracte begrippen. Met de mentale ontwikkeling werden schema’s complexer. Piaget dacht dat we deze schema’s opslaan en ze toepassen als dat nodig is.

Assimilatie en accommodatie

Assimilatie verwijst naar het gebruik van een bestaand schema om met een nieuwe situatie of een nieuw voorwerp om te gaan. Accommodatie treedt op wanneer bestaande schema’s (kennis) niet werken en veranderd moeten worden om met een nieuw voorwerp of een nieuwe situatie om te gaan.

Equilibrium

Piaget geloofde dat de cognitieve ontwikkeling niet in een gestaag tempo vooruitging, maar met sprongen. Evenwicht of equilibrium ontstaat als het schema van een kind de meeste nieuwe informatie via assimilatie kan verwerken. Maar een onaangename toestand van disequilibrium ontstaat als nieuwe informatie niet in bestaande schema’s kan passen.

Tenslotte

Piaget’s theorie van de cognitieve ontwikkeling droeg bij tot ons begrip van de intellectuele groei van kinderen. Het benadrukte ook dat kinderen niet louter passieve ontvangers van kennis zijn. In plaats daarvan zijn kinderen voortdurend aan het onderzoeken en experimenteren als ze hun begrip van de werking van de wereld opbouwen.

Lees ook Sigmund Freud: wat is de psychoseksuele ontwikkeling?

Bronnen

  • Baillargeon, R., & DeVos, J. (1991). Object permanence in young infants: Further evidenceChild development, 1227-1246.
  • Bruner, J. S. (1966). Toward a theory of instruction. Cambridge, Mass.: Belkapp Press.
  • Dasen, P. (1994). Culture and cognitive development from a Piagetian perspective. In W .J. Lonner & R.S. Malpass (Eds.), Psychology and culture (pp. 145–149). Boston, MA: Allyn and Bacon.
  • Hughes , M. (1975). Egocentrism in preschool children. Unpublished doctoral dissertation. Edinburgh University.
  • Inhelder, B., & Piaget, J. (1958). The growth of logical thinking from childhood to adolescence. New York: Basic Books.
  • Keating, D. (1979). Adolescent thinking. In J. Adelson (Ed.), Handbook of adolescent psychology (pp. 211-246). New York: Wiley.
  • M badakar C, J thakkar P, M hugar S, Kukreja P, G assudani H, Gokhale N. Evaluation of the Relevance of Piaget’s Cognitive Principles among Parented and Orphan Children in Belagavi City, Karnataka, India: A Comparative Study. Int J Clin Pediatr Dent. 2017;10(4):346-350. doi: 10.5005/jp-journals-10005-1463
  • Malik F. Cognitive Development.
  • National Research Council (US) Panel to Review the Status of Basic Research on School-Age Children. Cognitive Development In School-Age Children: Conclusions And New Directions. Development During Middle Childhood: The Years From Six to Twelve.
  • Piaget, J. (1932). The moral judgment of the child. London: Routledge & Kegan Paul.
  • Piaget, J. (1936). Origins of intelligence in the child. London: Routledge & Kegan Paul.
  • Piaget, J. (1945). Play, dreams and imitation in childhood. London: Heinemann.Piaget, J. (1957). Construction of reality in the child. London: Routledge & Kegan Paul.
  • Piaget, J., & Cook, M. T. (1952). The origins of intelligence in children. New York, NY: International University Press.
  • Plowden, B. H. P. (1967). Children and their primary schools: A report (Research and Surveys). London, England: HM Stationery Office.
  • Siegler, R. S., DeLoache, J. S., & Eisenberg, N. (2003). How children develop. New York: Worth.
  • Sobel AA, Resick PA, Rabalais AE. The effect of cognitive processing therapy on cognitions: impact statement coding. J Trauma Stress. 2009;22(3):205-11. doi:  10.1002/jts.20408
  • Vygotsky, L. S. (1978). Mind in society: The development of higher psychological processes. Cambridge, MA: Harvard University Press.
  • Wadsworth, B. J. (2004). Piaget’s theory of cognitive and affective development: Foundations of constructivism. New York: Longman.