Prieelvogels zijn een kleine groep relatief onbekende vogels uit Australië en Nieuw-Guinea met heel bijzonder gedrag. De prieelvogels staan vooral bekend om hun unieke hofmakerij, waarbij de mannetjes een structuur of prieel bouwen en deze versieren met stokken en felgekleurde voorwerpen, in een poging om een partner aan te trekken.
Hofmakerij en paring
Prieel
De mannetjes van de prieelvogels maken uitgebreide, zorgvuldig ingerichte plekken om vrouwtjes heen te lokken, waarop met takjes kleine priëlen zijn gebouwd. Er bestaan twee typen priëlen. De eenvoudige typen bestaan uit van takjes gemaakte halfopen tunneltjes, waar door baltsgedrag een vrouwtje doorheen gelokt wordt. Ingewikkelde priëlen lijken op stevig van takken gebouwde halfopen huisjes waarin verzamelingen van kleurige objecten liggen.
- De Prionodura, Amblyornis, Scenopoeetes en Archbolds prieelvogels bouwen een eenvoudig meiboom-prieel, die worden gebouwd door stokken rond een jonge boom te plaatsen. Bij de eerste twee soorten hebben deze priëlen daarnaast ook een hutachtig dak.
- De Chlamydera, Sericulus en Ptilonorhynchus prieelvogels bouwen een ingewikkeld laantype-prieel die bestaat uit twee wanden van verticaal geplaatste stokken.
Het grootste en meest extreme prieel wordt gebouwd door de bruine tuiniervogel of vogelkop-prieelvogel (Amblyornis inornatus) uit noordwestelijk Nieuw-Guinea. Deze soort bekleedt het prieel met mos en legt daarop uitgebreide verzamelingen aan van bessen, kleurige bloemen, keverschilden en kleurig menselijk afval.
De vogels van het geslacht Ailuroedus (katvogels) zijn de enige soorten van deze familie die geen priëlen bouwt. Deze soorten zijn echter ook als enige monogaam, en de mannen spelen een rol bij de opvoeding.
Versieringen
In en rond het prieel plaatst het mannetje een verscheidenheid aan felgekleurde voorwerpen die hij heeft verzameld. Deze voorwerpen kunnen bestaan uit honderden schelpen, bladeren, bloemen, veren, stenen, bessen, en zelfs afgedankte plastic voorwerpen, munten, spijkers, geweerschalen, of stukken glas. De mannetjes besteden uren aan het aanleggen en rechtleggen van deze collectie. Soms worden de stenen zelfs geverfd met het sap van bessen.
Verschillende studies van verschillende soorten hebben aangetoond dat de kleuren van de versieringen die de mannetjes gebruiken overeenkomen met de voorkeuren van de vrouwtjes. Prieelvogels binnen een soort delen een voorkeur voor kleur, vorm of voorwerpen, maar tonen wel aanzienlijke variatie, en de verzameling van objecten weerspiegelt de voorkeuren van de mannetjes van het soort en het vermogen om voorwerpen te vinden habitat. Vaak stelen de mannen daarnaast van de naburige vogels.
Dansjes
In aanvulling op het prieel en de versiering, voeren mannelijke vogels baltsvertoningen uit om het vrouwtje aan te trekken. Onderzoek suggereert dat het mannetje zijn dansprestaties aanpast op basis van succes en de respons van het vrouwtje.
Andere rituelen
Er zijn ook prieelvogels die optische illusies creëren in hun prieel. Ze schikken objecten in het hof van hun prieel van de kleinste naar de grootste, waardoor een geforceerd perspectief ontstaat dat de aandacht van het vrouwtje langer vasthoudt. Mannetjes met objecten die zijn gerangschikt op een manier die een sterke optische illusie creeeren hebben waarschijnlijk een hoger paringssucces.
Daarnaast zijn veel soorten prieelvogels uitstekende vocale nabootsers. De Goudkuiftuiniervogel kan bijvoorbeels varkens, watervallen, en menselijk geklets imiteren. Satijnblauwe prieelvogels bootsen gewoonlijk andere lokale soorten na als onderdeel van hun baltsvertoning.
Seksuele selectie
De vrouwelijke prieelvogels bezoeken vaak meerdere mannen, keren vaak terug naar hun favoriete bouwwerken, kijken naar mannetjes’ uitgebreide baltsvertoningen en inspecteren de kwaliteit van de bolwerken.
Door dit proces vermindert het vrouwtje het aantal potentiële mannetjes om mee te paren door een proces van eliminatie. Veel van de vrouwtjes selecteren uiteindelijk hetzelfde mannetje en veel ondermaats presterende mannetjes blijven zonder paringen en dus nageslacht achter.
De vrouwtjes hebben vaak de neiging om het volgende jaar terug te keren naar hetzelfde mannetje en minder te zoeken in de omgeving.
De redenen van een prieel
Er is een theorie dat de omvang van het prieel is gerelateerd aan de kleuren van het verenpak van het mannetje. Volgens die theorie trekken felgekleurde mannetjes genoeg vrouwen aan met hun prachtige veerkleuren, en hoeven ze dus geen ingewikkeld prieel te bouwen. Mannetjes met weinig opvallende kleuren in hun verenpak proberen hun gebrek aan kleur te compenseren met de bouw van zeer ingewikkelde priëlen. Deze hypothese wordt echter niet goed onderbouwd, omdat soorten met enorm verschillende soorten prielen soms ook een enorm complex verenkleed hebben.
Een andere theorie is dat het prieel aanvankelijk functioneerde als een plek om vrouwen te beschermen tegen gedwongen copulaties, en hen zo meer gelegenheid gaf om mannetjes te kiezen. De mannen zijn hierbij gebaat omdat er vrouwen hen wilden bezoeken. Bewijs voor deze hypothese komt van observaties van Archbolds prieelvogels, een prieelvogelsoort die geen echte prieel maakt en hun hofmakerij op een andere manier sterk hebben aangepast. Het mannetje van deze vogelsoort is beperkt in zijn vermogen om het vrouwtje te beklimmen zonder haar medewerking.
Studies met vrouwelijke robotprieelvogels hebben aangetoond dat de mannen reageren op vrouwelijke signalen van ongemak tijdens de hofmakertij door de intensiteit van hun potentieel bedreigende gedrag te verminderen.

De redenen van complex paringsgedrag
Het complexe paringsgedrag heeft sommige onderzoekers ertoe gebracht om prieelvogels te beschouwen als de vogelsoort met één van de meest complexe gedragskenmerken. Het paringsgedrag levert bewijs dat het uitgebreide fenotype van een soort een rol kan spelen in de seksuele selectie en kan fungeren als een krachtig mechanisme om de evolutie van de soort vorm te geven.
De hoge mate van inspanning gericht op de keuze van de partner door de vrouwtjes en de grote scheefheid in het paringssucces gericht op de mannetjes met kwaliteitsvolle priëlen suggereert dat de vrouwtjes belangrijke voordelen halen uit de keuze van de partner.
Aangezien de meeste prieelvogelmannetjes geen rol hebben in de ouderlijke zorg en niets aan de vrouwtjes geven behalve sperma wordt gesuggereerd dat de vrouwtjes genetische voordelen krijgen van de keuze van de partner. Een andere hypothese voor de evolutionaire oorzaak van de priëlen stelt dat de ornamenten indicatoren zijn van algemene gezondheid en erfelijke ziektebestendigheid.
Charles Darwin besprak naast de paradijsvogels ook de prieelvogels in zijn geschriften over seksuele selectie.
Gedrag en ecologie

Verspreiding en habitat
Prieelvogels vormen de vogelfamilie Ptilonorhynchidae, uitsluitend bekend in Australië, Nieuw-Guinea en enkele kleinere eilanden, met tien soorten die endemisch zijn voor Nieuw-Guinea, acht die endemisch zijn voor Australië, en twee die in beide landen voorkomen. Hoewel hun verspreiding zich concentreert op de tropische gebieden van Nieuw-Guinea en Noord-Australië strekken sommige soorten zich uit naar centraal, westelijk en Zuidoost-Australië.
De familie heeft ongeveer 20 soorten in acht geslachten. Dit zijn middelgrote tot grote vogels, variërend van de meiboombouwer van 22 centimeter en 70 gram tot de grijze prieelvogel van 40 centimeter en 230 gram. Prieelvogels nemen een aantal verschillende habitats in beslag, waaronder regenwoud, eucalyptus- en acaciabos, en struikgewas.
Dieet
Het dieet van prieelvogels bestaat voornamelijk uit fruit, maar kan ook insecten (vooral voor nestjongen), bloemen, nectar en bladeren bevatten. De vogels worden soms beschouwd als ongedierte in de landbouw vanwege hun gewoonte fruit- en groentegewassen te eten.
Relaties
De Ailuroedus (katvogels) zijn monogaam met mannetjes die kuikens grootbrengen met hun partner, maar alle andere prieelvogels zijn polygaam, waarbij het vrouwtje het nest bouwt en de jongen alleen grootbrengt. Bij deze soorten heeft het vrouwtje een onopvallende kleur.
Nest en geboorte
De vrouwtjes bouwen een nest door zachte materialen, zoals bladeren, varens en ranken, op een losse fundering van stokken te leggen. Alle soorten uit Nieuw-Guinea leggen één ei, terwijl de Australische soorten één tot drie eieren leggen met een leginterval van twee dagen. De eieren van de prieelvogel zijn ongeveer twee keer zo zwaar als die van de meeste vogels van vergelijkbare grootte. Eieren komen uit na 19 tot 24 dagen, afhankelijk van de soort. De kleur is effen-crème voor katvogels, in de andere soorten staat er een bruinachtig golvend lijnpatroon op de eieren. Prieelvogels die meer dan één ei leggen hebben eieren die asynchroon uitkomen.
Levensverwachting

Prieelvogels hebben als groep een relatief lange levensverwachting. De twee meest bestudeerde soorten, de groene katvogel en de satijnblauwe prieelvogel, hebben een levensverwachting van ongeveer acht tot tien jaar en van één satijnblauwe prieelvogel is bekend dat hij zesentwintig jaar is geworden. Ter vergelijking, de oudste gewone raaf werd 21 jaar.
Soorten
- Geslacht Ailuroedus
- Ailuroedus buccoides (Witoorkatvogel) (Nieuw-Guinea en eilanden)
- Ailuroedus crassirostris (Groene katvogel) (Zuidoost-Australië)
- Ailuroedus melanotis (Grijskop-katvogel) (Nieuw-Guinea en Noord-Australië)
- Ailuroedus stonii (Kaneelborstkatvogel)
- Ailuroedus geislerorum (Bruinkapkatvogel)
- Ailuroedus maculosus (Gevlekte katvogel)
- Ailuroedus astigmaticus (Huonkatvogel)
- Ailuroedus melanocephalus (Zwartkapkatvogel)
- Ailuroedus jobiensis (Noordelijke katvogel)
- Ailuroedus arfakianus (Vogelkopkatvogel)
- Geslacht Amblyornis
- Amblyornis flavifrons (Geelkuiftuiniervogel) (Noordwest-Nieuw-Guinea)
- Amblyornis inornata (Bruine tuiniervogel) (Noordwest-Nieuw-Guinea)
- Amblyornis macgregoriae (Goudkuiftuiniervogel) (Nieuw-Guinea bergen)
- Amblyornis subalaris (Oranjekuiftuiniervogel) (Zuidoost-Nieuw-Guinea)
- Geslacht Archboldia
- Archboldia papuensis (Archbolds prieelvogel) (Nieuw-Guinea bergen)
- Archboldia sanfordi (Sanford’s prieelvogel)
- Geslacht Chlamydera
- Chlamydera cerviniventris (Okerbuikprieelvogel) (Nieuw-Guinea en Kaap York-schiereiland)
- Chlamydera guttata (Gevlekte prieelvogel)
- Chlamydera lauterbachi (Lauterbachs prieelvogel) (Nieuw-Guinea)
- Chlamydera maculata (Grijsnekprieelvogel) (Australië, binnenland)
- Chlamydera nuchalis (Grijze prieelvogel) (Noord-Australië en Melville-eiland)
- Geslacht Prionodura
- Prionodura newtoniana (Meiboombouwer) (Cairns, Australië)
- Geslacht Ptilonorhynchus
- Ptilonorhynchus violaceus (Satijnblauwe prieelvogel) (Oost-Australië)
- Geslacht Scenopoeetes
- Scenopoeetes dentirostris (Bruine katvogel)
- Geslacht Sericulus
- Sericulus ardens (Oranje prieelvogel) (West- en Zuid-Nieuw-Guinea)
- Sericulus aureus (Zwartmaskerprieelvogel)
- Sericulus bakeri (Adelberts prieelvogel) (Adelbert-bergen, Nieuw-Guinea)
- Sericulus chrysocephalus (Geelnekprieelvogel) (Oost-Australië)
Bronnen
- Borgia, Gerald (June 1986). “Sexual Selection in Bowerbirds”. Scientific American. 254(6): 92–101. doi:10.1038/scientificamerican0686-92. JSTOR 24975977.
- Frith, Clifford B. (1991). Forshaw, Joseph (ed.). Encyclopedia of Animals: Birds. London: Merehurst Press. pp. 228–331. ISBN 978-1-85391-186-6.
- “Problem Wildlife”. Dse.vic.gov.au. 2013-02-27. Archived from the original on 2013-04-28. Retrieved 2013-03-27.
- “Spotted Bowerbird” (PDF). Archived from the original (PDF) on 2014-02-17. Retrieved 2013-03-27.
- Rowland, Peter (2008). Bowerbirds. Australian Natural History Series. Collingwood: CSIRO Publishing. pp. 1–26. ISBN 978-0-643-09420-8.
- Higgins, P.J. and J.M. Peter (editors); Handbook of Australian, New Zealand and Antarctic Birds, Volume 6: Pardalotes to Shrike-thrushes ISBN 0-19-553762-9
- Frith, Clifford B.; “Egg laying at long intervals in bowerbirds (Ptilonorhynchidae)”
- Hoyt, Donald F. (1979). “Practical Methods of estimating the Volume and Fresh Weight of Bird Eggs”. Auk. 96 (1): 73–77.
- Species search by Australian Bird and Bat Banding Scheme
- “Satin Bowerbird”. Environment.gov.au. 2007-04-13. Retrieved 2013-03-27.
- Wasser, D. E. and Sherman, P.W.; “Avian longevities and their interpretation under evolutionary theories of senescence” in Journal of Zoology 2 November 2009
- Kusmierski, Rab (September 1993). “Molecular information on bowerbird phylogeny and the evolution of exaggerated male characteristics”. Journal of Evolutionary Biology. 6 (5): 737–752. doi:10.1046/j.1420-9101.1993.6050737.x.
- Kusmierski, Rab (1997-03-22). “Labile evolution of display traits in bowerbirds indicates reduced effects of phylogenetic constraint”. Proc. Biol. Sci. 264 (1380): 307–13. doi:10.1098/rspb.1997.0044. PMC 1688255. PMID 9107048.
- Kusmierski, Rab (1997-03-22). “Labile evolution of display traits in bowerbirds indicates reduced effects of phylogenetic constraint”. Proc Biol Sci. 264 (1380): 307–313. doi:10.1098/rspb.1997.0044. PMC 1688255. PMID 9107048.
- Patricelli, Gail L.; Coleman, Seth W.; Borgia, Gerald (January 2006). “Male satin bowerbirds, Ptilonorhynchus violaceus, adjust their display intensity in response to female startling: an experiment with robotic females”. Animal Behaviour. 71 (1): 49–59. doi:10.1016/j.anbehav.2005.03.029. ISSN 0003-3472. S2CID 6096593.
- Coleman, Seth W.; Patricelli, Gail L.; Borgia, Gerald (April 2004). “Variable female preferences drive complex male displays”. Nature. 428 (6984): 742–745. doi:10.1038/nature02419. ISSN 0028-0836. PMID 15085130. S2CID 2744790.
- Uy, J. Albert C.; Patricelli, Gail L.; Borgia, Gerald (November 2001). “Complex Mate Searching in the Satin Bowerbird Ptilonorhynchus violaceus”. The American Naturalist. 158 (5): 530–542. doi:10.1086/323118. ISSN 0003-0147. PMID 18707307.
- Uy, J. Albert C.; Patricelli, Gail L.; Borgia, Gerald (2000-02-07). “Dynamic mate-searching tactic allows female satin bowerbirds Ptilonorhynchus violaceus to reduce searching”. Proceedings of the Royal Society of London B: Biological Sciences. 267(1440): 251–256. doi:10.1098/rspb.2000.0994. PMC 1690527. PMID 10714879.
- Gilliard, Ernest Thomas (July 1956). “Bower ornamentation versus plumage characters in bower-birds”. Auk. 73 (3): 450–451. doi:10.2307/4082011. JSTOR 4082011.
- Kusmierski, Rab; G. Borgia; A. Uy; R.H. Crozier (1997). “Labile evolution of display traits in bowerbirds indicates reduced effects of phylogenetic constraint”. Proceedings of the Royal Society of London B. 264 (1380): 307–313. doi:10.1098/rspb.1997.0044. PMC 1688255. PMID 9107048.
- Hamilton, William D; M. Zuk (1982). “Heritable true fitness and bright birds: a role for parasites?”. Science. 218 (4570): 384–387. doi:10.1126/science.7123238. JSTOR 1688879. PMID 7123238.
- Doucet, Stephanie M.; R. Montgomerie (2003). “Multiple sexual ornaments in satin bowerbirds: ultraviolet plumage and bowers signal different aspects of male quality”. Behavioral Ecology. 14 (4): 503–509. doi:10.1093/beheco/arg035.
- Doucet, Stephanie M.; R. Montgomerie (2003). “Structural plumage colour and parasites in satin bowerbirds Ptilonorhynchus violaceus: implications for sexual selection”. Journal of Avian Biology. 34 (3): 237–242. doi:10.1034/j.1600-048x.2003.03113.x.
- Borgia, Gerald; K. Collins (1989). “Female choice for parasite-free male satin bowerbirds and the evolution of bright male plumage”. Behavioral Ecology and Sociobiology. 25 (6): 445–454. doi:10.1007/bf00300191. S2CID 29986069.
- Choe, J.C. (2019). Encyclopedia of Animal Behavior. Elsevier Science. ISBN 978-0-12-813252-4. Retrieved 2019-10-19.
- Diamond, J. (1986). “Biology of Birds of Paradise and Bowerbirds”. Annual Review of Ecology and Systematics. 17: 17–37. doi:10.1146/annurev.es.17.110186.000313.
- Maxmen, Amy (9 September 2010). “Bowerbirds trick mates with optical illusions”. Nature News. doi:10.1038/news.2010.458.
- Sibley, CG; Schodde, R; Ahlquist, JE (1 January 1984). “The relationship of the Australo-Papuan Treecreepers Climacteridae as indicated by DNA-DNA hybridization”. Emu. 84 (4): 236–241. doi:10.1071/MU9840236.
- Ericson, Per G.P; Christidis, Les; Irestedt, Martin; Norman, Janette A. (2002-10-01). “Systematic affinities of the lyrebirds (Passeriformes: Menura), with a novel classification of the major groups of passerine birds”. Molecular Phylogenetics and Evolution. 25 (1): 53–62. doi:10.1016/S1055-7903(02)00215-4. ISSN 1055-7903. PMID 12383750.