De 25 meest invloedrijke psychologische onderzoeken

Psychologie is een zeer brede wetenschappelijke stroming en bestaat uit veel specialisaties. Elk van deze specialisaties is in de loop der jaren versterkt door onderzoek dat theorieën en hypotheses bewees of ontkrachtte. Er worden jaarlijks duizenden en duizenden onderzoeken voltooid in de psychologie, maar er zijn er een handvol die een blijvende impact hebben gehad.

Sommige daarvan zijn plichtsgetrouw uitgevoerd, binnen de grenzen van ethische en praktische richtlijnen. Andere verlegden de grenzen van het veld en creëerden controverses die tot op de dag van vandaag voortduren. En weer andere zijn helemaal niet ontworpen als psychologische experimenten maar eindigden als bakens voor de psychologie.

Dit is een lijst van de 25 meest invloedrijke psychologische experimenten die vandaag de dag nog steeds aan psychologiestudenten worden onderwezen:

1 : Klassieke conditionering van honden van Ivan Pavlov

Uitgevoerd in de jaren 1890 aan de Militaire Medische Academie in Sint-Petersburg, Rusland.

Pavlovs experiment met honden bleek een van de meest cruciale experimenten in de hele psychologie. Zijn bevindingen over conditionering leidden tot een hele nieuwe tak van psychologisch onderzoek.

Pavlov begon met het simpele idee dat er dingen zijn die een hond niet hoeft te leren. Honden hoeven niet te leren om speeksel aan te maken als ze voedsel zien. Deze reflex is in behavioristische termen een ongeconditioneerde reactie (een stimulus-respons-connectie die geen leren vereist).

Pavlov schetste dat er ongeconditioneerde reacties in het dier zijn door een hond met een bakje voedsel te presenteren en vervolgens zijn speekselafscheidingen te meten. In het experiment gebruikte Pavlov een bel als neutrale stimulans, omdat die geen aangeboren reactie uitlokt. Wanneer hij zijn honden eten gaf, belde hij ook. Na een aantal herhalingen van deze procedure probeerde hij alleen de bel zelf uit. Wat hij ontdekte was dat de bel op zichzelf nu een toename van het speekselgehalte veroorzaakte.

De hond had geleerd om de bel en het voedsel te associëren en dit leren creëerde een nieuw gedrag; de hond kwijlde toen hij de bel hoorde. Omdat deze reactie werd geleerd, of geconditioneerd, wordt het een geconditioneerde reactie genoemd. De neutrale prikkel is een geconditioneerde prikkel geworden.

Deze theorie is bekend geworden als klassieke conditionering en is verder ontwikkeld door experimentator en psycholoog John Watson. Het omvat het leren associëren van een ongeconditioneerde prikkel die al een bepaalde respons (een reflex) teweegbrengt met een nieuwe (geconditioneerde) prikkel, zodat de nieuwe prikkel dezelfde respons teweegbrengt.

2 : het ‘little Albert’-experiment van John B. Watson en Rosalie Rayner

Uitgevoerd in 1920 aan de Johns Hopkins University

Het experiment van Little Albert wordt beschouwd als een van de meest onethische psychologische experimenten aller tijden. Het experiment werd in 1920 uitgevoerd door John Watson en Rosalie Rayner van de Johns Hopkins University. De hypothese was dat ze een negen maanden oud kind konden conditioneren om een irrationele angst te ontwikkelen.

Het experiment begon met een witte rat bij de baby te laten, die aanvankelijk geen angst had voor het dier. Watson produceerde vervolgens een luid geluid door met een hamer op een stalen staaf te slaan telkens als Albert de rat zag. Na een aantal keer het lawaai en de verschijning van de witte rat te koppelen begon de jongen te huilen en vertoonde hij tekenen van angst telkens als de rat in de kamer verscheen.

Watson creëerde ook soortgelijke geconditioneerde reflexen met andere dieren en voorwerpen, zoals konijnen en de baard van de Kerstman, totdat Albert overal bang voor was. Deze studie bewees dat klassieke conditionering ook werkt op de mens.

Een van de belangrijkste implicaties van deze bevinding is dat de angsten van volwassenen verband kunnen houden met ervaringen uit de vroege kindertijd.

3 : de monsterstudie van Wendell Johnson en Mary Tudor

Uitgevoerd in 1939 aan de Universiteit van Iowa

De monsterstudie kreeg deze negatieve titel omdat de psychologische toekomst van een groep weeskinderen werd opgeofferd voor een wetenschappelijk experiment.

Wendell Johnson en Mary Tudor selecteerden tweeëntwintig weeskinderen, sommige die stotterden en sommige die dat niet deden. Tudor vormde twee experimentele groepen en twee controlegroepen. Ongeveer de helft van de kinderen kregen logopedie met positieve feedback, waarbij ze werden geprezen voor hun spreekvaardigheid. De andere helft kreeg logopedie met negatieve feedback, waar ze werden gestraft voor elke fout die ze maakten.

Sommige kinderen die logopedie met negatieve feedback kregen hielden hun leven lang last van de psychologische gevolgen en hadden de rest van hun leven last van spraakproblemen. Ze werden een levend voorbeeld van hoe belangrijk positieve feedback is in lesmethoden.

Hoewel het oorspronkelijke doel van het onderzoek was om positieve en negatieve feedback in logopedie te onderzoeken, hebben de heftige uitkomsten van dit monsteronderzoek grote implicaties gehad in hoe we met feedback omgaan in de onderwijsmethoden voor jonge kinderen.

4 : het conformiteitsonderzoek van Dr. Solomon Asch

Uitgevoerd in 1951 aan Swarthmore College

Dr. Solomon Asch voerde een baanbrekend onderzoek uit om te beoordelen hoe groot de kans is dat iemand zich aan een norm houdt als er groepsdruk is om dat te doen.

Een groep deelnemers kreeg foto’s te zien met lijnen van verschillende lengtes en werd vervolgens een eenvoudige vraag gesteld: Welke lijn is het langst? Het lastige deel van dit onderzoek was dat in elke groep slechts één persoon een echte deelnemer was. De anderen waren acteurs met een script. De meeste acteurs kregen de opdracht het verkeerde antwoord te geven. Vreemd genoeg was de enige echte deelnemer het bijna altijd eens met de meerderheid, ook al wisten ze dat ze het verkeerde antwoord gaven.

De resultaten van dit onderzoek zijn belangrijk als we de sociale interacties tussen individuen in groepen bestuderen. Dit onderzoek is een beroemd voorbeeld van de verleiding die velen van ons voelen om zich te conformeren aan een norm tijdens groepssituaties en het toont aan dat mensen het vaak belangrijker vinden om hetzelfde te zijn als anderen dan om gelijk te hebben.

5 : het Robbers Cave Experiment van Muzafer Sherif

Uitgevoerd in 1954 aan de Universiteit van Oklahoma

Dit experiment, dat groepsconflicten bestudeerde, wordt door de meeste mensen beschouwd als een experiment dat ver buiten de lijnen kleurt van ethisch verantwoord onderzoek. Het onderzoek werd dusdanig gestuurd door de onderzoekers dat het de vraag is of de resultaten waarde hebben. Maar het Robbers Cave Experiment is lange tijd erg invloedrijk geweest in de psychologie.

De onderzoekers van de Universiteit van Oklahoma deelden 22 elf- en twaalfjarige jongens met een vergelijkbare achtergrond in twee groepen. De twee groepen werden meegenomen naar aparte gebieden van een zomerkampfaciliteit in Robbers Cave waar ze zich konden binden als sociale eenheden.

Toen de twee groepen eenmaal contact mochten hebben, vertoonden ze tekenen van vooroordelen en vijandigheid ten opzichte van elkaar. Om het conflict tussen de groepen te vergroten, lieten de onderzoekers hen met elkaar concurreren in een reeks van activiteiten. Dit zorgde voor nog meer vijandigheid en uiteindelijk weigerden de groepen om in dezelfde ruimte te eten.

In de laatste fase van het experiment werden de rivaliserende groepen vrienden. De leuke activiteiten die de onderzoekers hadden gepland, zoals het schieten van rotjes en het kijken naar filmpjes, werkten in eerste instantie niet, dus creëerden ze teamworkoefeningen waarbij de twee groepen gedwongen werden om samen te werken. Uiteindelijk vertrokken de kinderen samen in de bus naar huis.

Het Robbers Cave experiment wordt door de sociale psychologen als baanbrekend beschouwd, en nog steeds gezien als één van de bekendste voorbeelden van de realistische conflicttheorie.

Het grootste probleem met de theorie is de mate van inmenging van de onderzoekers met het experiment, en het feit dat een voorloper van hetzelfde experiment met een heel andere uitkomst in de doofpot is gestopt.

Lees ook: de verontrustende erfenis van het Robbers Cave experiment

6 : het Hawthorne-effect van Henry A. Landsberger

Uitgevoerd in 1955 in Hawthorne Works in Chicago, Illinois.

Het Hawthorne-effect werd onderzocht in een studie van Henry Landsberger uit 1955. Dit effect gaat er van uit dat menselijke proefpersonen in een experiment hun gedrag veranderen omdat ze worden bestudeerd.

Landsberger analyseerde gegevens van experimenten die tussen 1924 en 1932 werden uitgevoerd door Elton Mayo in de Hawthorne Works in de buurt van Chicago. Het bedrijf had studies laten uitvoeren om te evalueren of het niveau van het licht in een gebouw de productiviteit van de arbeiders veranderde.

Wat Mayo ontdekte was dat het niveau van het licht geen verschil maakte in productiviteit omdat de arbeiders hun efficientie verhoogden wanneer de hoeveelheid licht van een laag naar een hoog niveau werd geschakeld of omgekeerd.

De onderzoekers merkten een tendens op dat het efficiëntieniveau van de werknemers toenam telkens wanneer een variabele werd gemanipuleerd. Het onderzoek toonde aan dat de efficientie veranderde omdat de werknemers zich ervan bewust waren dat ze onder toezicht stonden.

Uit interviews bleek dat volgens de werknemers de beslissende factor die ervoor zorgde dat ze efficiënter waren een zichtbare verbetering van hun sociale verhouding was. Zonder het te beseffen bleek dat de onderzoekers de werksfeer verbeterd hadden door de werknemers te laten deelnemen aan het experiment.

Het Hawthorne Effect is een van de moeilijkste biases om onderzoeken, te elimineren of te verdisconteren in experimenten.

7: het magische getal zeven van George A. Miller

Uitgevoerd in 1956 aan de Universiteit van Princeton.

Het magisch-getal zeven-experiment, vaak aangeduid als ‘Miller’s Law’, gaat er vanuit dat het aantal objecten dat een gemiddelde mens in het werkgeheugen kan vasthouden 7 ± 2 is. Dit betekent is dat de capaciteit van het menselijk geheugen meestal reeksen woorden of concepten bevat die variëren van 5-9.

Het magisch-getal-zeven-experiment werd in 1956 gepubliceerd door de cognitieve psycholoog George A. Miller van de afdeling Psychologie van de Universiteit van Princeton in Psychological Review.

In het artikel besprak Miller een samenloop van de grenzen van het eendimensionale absolute oordeel en de grenzen van het kortetermijngeheugen. In een eendimensionale absolute-oordeel taak, wordt een persoon gepresenteerd met een aantal stimuli die variëren op een dimensie (zoals 10 verschillende tonen die alleen in toonhoogte variëren) en reageert op elke stimulus met een overeenkomstige reactie (eerder geleerd).

De prestaties zijn bijna perfect tot vijf of zes verschillende stimuli, maar nemen af naarmate het aantal verschillende stimuli toeneemt. Dit betekent dat de maximale prestatie van een mens op eendimensionaal absoluut oordeel kan worden beschreven als een informatieopslagplaats met een maximale capaciteit van ongeveer 2- tot 3-bits aan informatie, met het vermogen om onderscheid te maken tussen vier en acht alternatieven.

Deze informatie over de grenzen van de capaciteit om informatie te verwerken werd een van de meest geciteerde documenten in de psychologie.

8 : het cognitieve-dissonantie-experiment van Festinger en Carlsmith

Uitgevoerd in 1957 aan de Stanford University

Cognitieve dissonantie is de onaangename spanning die je ervaart bij tegenstrijdige overtuigingen, ideeën of opvattingen of bij handelen in strijd met je eigen overtuiging. Mensen streven naar het verkleinen van dissonantie passen daarom hun opvattingen of gedrag.

Cognitieve dissonantie werd voor het eerst onderzocht door Leon Festinger. Hij deed een observatiestudie naar de sekte van Marion Keech, die geloofde dat de aarde zou worden vernietigd door een overstroming voor zonsopkomst op 21 december.

De onderzoekers verwachtten dat het niet uitkomen van de profetie bij de groep een sterk en pijnlijk gevoel van cognitieve dissonantie zou veroorzaken. Het zou moeilijk zijn de ideeën waarmee alles begonnen was helemaal los te laten. Marion Keech en de groep waren zo diep in het geloof betrokken dat ze aanzienlijke moeite zouden doen om het in stand te houden.

De ontwikkelingen in de sekte illustreren goed hoe mensen kunnen omgaan met cognitieve dissonantie. Festinger en zijn collega’s deden onderzoek naar de groep door middel van observerende deelname en noteerden de volgende ontwikkelingen:

  • Vóór 20 december. De groep mijdt publiciteit. Interviews worden maar mondjesmaat gegeven. Direct contact met Keech is voorbehouden aan hen die de groep ervan kunnen overtuigen dat ze ware gelovigen zijn. De groep ontwikkelt een soort geloofssysteem – gevoed door de automatische berichten van de planeet Clarion – waarin de details van de vloedgolf, de reden ervan en de manier waarop de groep zal worden gered worden uitgewerkt.
  • 20 december. De groep verwacht dat een buitenaardse bezoeker hen rond middernacht zal roepen en hen zal meenemen naar een klaarstaand ruimteschip. Zoals geïnstrueerd zorgt de groep ervoor dat ze geen enkel metalen voorwerp meer dragen. Naarmate middernacht dichterbij komt, worden ritsen, beha’s en andere metaalhoudende kledingstukken verwijderd. Daarna wordt er gewacht.
  • 00:05, 21 december. Geen bezoek. Iemand in de groep merkt op dat het op een andere klok nog 23:55 is. De groep komt overeen dat het nog geen middernacht is.
  • 00:10. Ook de tweede klok geeft aan dat het middernacht is. Nog steeds komt er geen bezoeker. De groep is stomverbaasd. De vloedgolf zelf is niet meer dan zeven uur van hen verwijderd.
  • 04:00. De groep heeft enkele uren in ultieme verbazing stilgezeten. Tevergeefs worden enkele pogingen gedaan om een aanvaardbare uitleg te geven. Keech begint te huilen.
  • 04:45. Opnieuw ontvangt mevrouw Keech een buitenaards bericht. Het bericht meldt dat God heeft besloten de aarde te sparen en niet te vernietigen. De vloedgolf zal niet plaatsvinden. De kleine groep heeft, door de hele nacht te waken, zoveel licht verspreid dat God de wereld heeft gespaard.
  • ’s Middags, 21 december. Kranten worden gebeld en de groep wil interviews geven. In groot contrast met de voormalige schuwheid richting de pers, begint de groep met een actieve campagne om de boodschap over een zo groot mogelijk publiek te verspreiden.

Uit deze observatiestudie ontstond een intrigerend experiment dat werd uitgevoerd door Festinger en Carlsmith, waarbij de deelnemers werd gevraagd een reeks saaie taken uit te voeren, zoals het draaien van pinnen in een pinnenbord voor een uur. De aanvankelijke houding van de deelnemers ten opzichte van deze taak was zeer negatief.

Vervolgens werd er $1 of $20 betaald om een deelnemer die in de lobby wachtte te vertellen dat de taken echt interessant waren. Bijna alle deelnemers stemden ermee in om de wachtkamer binnen te lopen en de volgende deelnemer ervan te overtuigen dat het saaie experiment leuk zou zijn.

Toen de deelnemers later werden gevraagd om het experiment te evalueren, beoordeelden de deelnemers die slechts $1 kregen betaald om te liegen de vervelende taak als leuker dan de deelnemers die $20 kregen betaald om te liegen.

Het betalen van slechts $1 is niet voldoende stimulans om te liegen en dus ervoeren de deelnemers die $1 betaald kregen cognitieve dissonantie. Zij konden die dissonantie alleen overwinnen door te geloven dat de taken echt interessant en plezierig waren. Een betaling van $20 is een goede reden om te liegen en er is dus geen dissonantie.

9 : het surrogaatmoeder-experiment van Harry Harlow

Uitgevoerd van 1957-1963 aan de Universiteit van Wisconsin.

In een reeks controversiële experimenten eind jaren vijftig en begin jaren zestig bestudeerde Harry Harlow het belang van de liefde van een moeder voor een gezonde ontwikkeling van een kind.

Om dit te doen scheidde hij een paar uur na de geboorte resusapen van hun moeders en liet ze opvoeden door twee “surrogaatmoeders”. Een van de surrogaatmoeders was gemaakt van draad met een flesje voor voedsel, de andere was gemaakt van zachte badstof, maar had geen voedsel.

De onderzoeker ontdekte dat de baby-aapjes veel meer tijd doorbrengen met de doekmoeder dan de draadmoeder. De apen die meer tijd doorbrachten met het knuffelen van de zachte surrogaatmoeder groeiden ook gezonder op.

Dit experiment toonde als eerste aan dat liefde en genegenheid een belangrijker aspect van de ouder-kind relatie is dan het voorzien in basisbehoeften.

10 : het visuele-klif-experiment van Eleanor Gibson en Richard Walk

Uitgevoerd in 1959 aan de Cornell University

In 1959 bestudeerden Eleanor Gibson en Richard Walk diepteperceptie bij zuigelingen. Ze wilden weten of diepteperceptie een aangeleerd gedrag is of dat het iets is waarmee we geboren zijn.

Gibson en Walk bestudeerden 36 baby’s tussen de leeftijd van zes en 14 maanden, die allemaal konden kruipen. De baby’s werden één voor één op een visuele klif geplaatst, een illusie van een plotselinge gat dat er niet is. De onderzoekers plaatsten een middengedeelte tussen de ondiepe zijde en de diepe zijde:

  • Negen van de baby’s bewogen zich niet van het middengedeelte af.
  • Alle 27 baby’s die zich wel bewogen hingen naar de o ondiepe zijde toen hun moeders hen van de ondiepe zijde riepen.
  • Drie van de baby’s kropen van de visuele klif in de richting van hun moeder toen ze van de diepe kant werden geroepen.
  • Toen ze van de diepe kant werden geroepen, kropen de andere 24 kinderen naar de ondiepe kant of huilden omdat ze de visuele klif niet konden oversteken en hun moeder niet konden bereiken.

Wat deze studie hielp om aan te tonen is dat dieptewaarneming waarschijnlijk een aangeboren is.

11 : de kijkkamer van Robert L. Fantz

Uitgevoerd in 1961 aan de Universiteit van Illinois

De studie van Robert L. Fantz behoort tot de eenvoudigste maar belangrijkste op het gebied van de ontwikkeling en visie van kinderen. In 1961, toen dit experiment werd uitgevoerd, waren er zeer weinig manieren om te bestuderen wat er in het hoofd van een zuigeling omging.

Fantz realiseerde zich dat de beste manier om deze puzzel te achterhalen was om simpelweg te kijken naar de acties en reacties van baby’s. Hij begreep de fundamentele factor dat als er iets van belang is mensen er over het algemeen naar kijken.

Om dit concept te testen zette Fantz een displayboard op met twee foto’s. Op de ene foto stond een stierenoog en op de andere de schets van een menselijk gezicht. Dit bord werd opgehangen in een kamer waar een baby veilig kon liggen en beide afbeeldingen kon zien.

Vervolgens keek Fantz van achter het bord, onzichtbaar voor de baby, door een gat om te kijken waar de baby naar keek. Uit dit onderzoek bleek dat een baby van twee maanden oud twee keer zoveel naar het menselijke gezicht keek als naar het stierenoog. Dit suggereert dat menselijke baby’s een zekere mate van patroon- en vormselectie hebben.

Voorafgaand aan dit experiment werd gedacht dat baby’s leefden in een chaotische wereld waar ze geen logica of patronen in konden ontdekken.

12 : Stanley Milgram Experiment

Uitgevoerd in 1961 aan de Stanford Universiteit

Deze studie van de Yale University psycholoog Stanley Milgram uit 1961 was bedoeld om de bereidheid van mensen te meten om gezagsdragers te gehoorzamen wanneer ze instructies kregen om handelingen te verrichten die in strijd zijn met hun moraal. De studie was gebaseerd op de vooronderstelling dat de mens van nature autoriteitsfiguren zal volgen.

De deelnemers kregen te horen dat ze deelnamen aan een onderzoek naar het geheugen. Ze werden gevraagd om te kijken naar een andere persoon die een geheugentest deed. Ze werden geïnstrueerd om op een knop te drukken die een elektrische schok gaf elke keer als de persoon een verkeerd antwoord gaf. De persoon die de test deed was een acteur die niet echt schokken kreeg maar deed alsof ze dat wel deden.

De onderzoekers vroegen de deelnemers om het voltage de schokken steeds te verhogen en de meeste van hen gehoorzaamden ook al leek de persoon die de geheugentest aflegde veel pijn te hebben. Sommigen dienden uiteindelijk een voltage die gelijk zou staan aan een dodelijke elektrische schok toe.

Dit experiment toonde aan dat mensen geconditioneerd zijn om het gezag te gehoorzamen en dit meestal ook zullen doen, ook als het tegen hun natuurlijke moraal of gezond verstand ingaat.

13 : het Bobo-Doll-experiment van Dr. Alburt Bandura

Uitgevoerd tussen 1961-1963 aan Stanford University

In het begin van de jaren zestig startte een debat over de manier waarop genetica, omgevingsfactoren en sociaal leren de ontwikkeling van een kind bepalen, het nature-nurture debat. Dit debat duurt nog steeds voort. Albert Bandura voerde het Bobo Doll Experiment uit om te bewijzen dat menselijk gedrag grotendeels gebaseerd is op sociale imitatie in plaats van op geërfde genetische factoren.

In zijn baanbrekende studie splitste hij de deelnemers op in drie groepen: één groep werd blootgesteld aan een video van een volwassen rolmodel dat agressief gedrag vertoonde ten opzichte van een specifieke (Bobo-)pop; een andere groep werd blootgesteld aan een video van een volwassen rolmodel dat met de pop speelde en de derde groep vormde een controlegroep en zag geen video.

De kinderen keken naar de hun toegewezen video en werden vervolgens naar een kamer gestuurd met dezelfde pop die ze in de video hadden gezien. Kinderen die blootgesteld werden aan het agressieve model hadden een grotere kans om agressief gedrag te vertonen ten opzichte van de pop, terwijl de andere groepen weinig agressief gedrag vertoonden.

Het aantal afgeleide fysieke agressies dat de jongens in de agressieve-videogroep vertoonden was 38,2 en de meisjes in die groep 12,7.

Het onderzoek toonde aan dat jongens meer agressie vertoonden wanneer ze werden blootgesteld aan agressieve mannelijke rolmodellen dan jongens die werden blootgesteld aan agressieve vrouwelijke rolmodellen. Bij blootstelling aan agressieve mannelijke rolmodellen was het aantal agressieve gevallen door jongens gemiddeld 104 in vergelijking met 48,4 agressieve gevallen door jongens die werden blootgesteld aan agressieve vrouwelijke rolmodellen.

De resultaten voor de meisjes lieten vergelijkbare bevindingen zien, maar waren minder drastisch. Bij blootstelling aan agressieve vrouwelijke rolmodellen was het aantal agressieve gevallen door meisjes gemiddeld 57,7 in vergelijking met 36,3 agressieve gevallen door meisjes die werden blootgesteld aan agressieve mannelijke rolmodellen.

De resultaten met genderverschillen ondersteunden de secundaire voorspelling van Bandura dat kinderen sterker beïnvloed zullen worden door rolmodellen van hetzelfde geslacht.

14 : emotie-experimenten van Stanley Schachter en Jerome E. Singer

Uitgevoerd in 1962 aan de Columbia Universiteit

In 1962 voerden Schachter en Singer een baanbrekend experiment uit om hun emotietheorie te bewijzen.

In de studie werd een groep van 184 mannelijke deelnemers geïnjecteerd met epinefrine, een hormoon dat opwinding veroorzaakt, waaronder een verhoogde hartslag, beven en een snelle ademhaling.

De deelnemers aan het onderzoek kregen te horen dat ze werden geïnjecteerd met een nieuw medicijn om hun gezichtsvermogen te testen. De eerste groep deelnemers werd geïnformeerd over de mogelijke bijwerkingen van opwinding die de injectie zou kunnen veroorzaken, terwijl de tweede groep deelnemers dat niet te horen kreeg.

De deelnemers werden vervolgens in een kamer geplaatst bij iemand waarvan zij dachten dat het een andere deelnemer was, maar die eigenlijk meedeed met het experiment. De onderzoeker handelde op een van de volgende twee manieren: euforisch of boos.

Deelnemers die niet op de hoogte waren van mogelijke effecten van de injectie voelden zich eerder gelukkiger of bozer dan degenen die wel op de hoogte waren gebracht.

Wat Schachter en Singer probeerden te begrijpen was de manier waarop cognitie of gedachten de menselijke emotie beïnvloeden. Hun onderzoek illustreert het belang van de manier waarop mensen hun fysiologische toestand interpreteren, die een belangrijk onderdeel van je emoties vormt.

Hoewel hun cognitieve theorie van emotionele opwinding het veld domineerde gedurende twee decennia is de studie om twee belangrijke redenen bekritiseerd: de omvang van het effect dat in het experiment werd gezien was niet zo significant en andere onderzoekers hadden moeite om het experiment te herhalen.

15 : de Kitty Genovese Zaak van de New Yorkse politie

Uitgevoerd in 1964 in New York City

De moordzaak van Kitty Genovese was nooit bedoeld als een psychologisch experiment. Het werd wel op die manier opgepakt en dat had ernstige gevolgen voor de psychologie en veel andere vakgebieden.

Volgens een artikel in de New York Times waren bijna veertig buren getuige van de moord op Kitty Genovese in 1964 in Queens, New York, maar geen enkele buurman belde de politie voor hulp.

Psychologische verklaarden dit fenomeen als een omstandereffect of bystandereffect, dat stelt dat hoe meer omstanders aanwezig zijn in een sociale situatie, hoe minder waarschijnlijk het is dat iemand zal ingrijpen en helpen. Deze hypothese heeft geleid tot veranderingen in de geneeskunde, de psychologie en vele andere onderzoeksgebieden.

Later werd ontdekt dat veel van de feiten uit de New York Times overdreven waren. Er waren waarschijnlijk maar een dozijn getuigen en uit de verslagen blijkt dat de politie door buren is gebeld.

Onderzoek naar camerabeelden van incidenten uit 2019 suggereert daarnaast dat in echte situaties het omstandereffect niet bestaat: hoe meer omstanders aanwezig zijn, hoe waarschijnlijker het is dat iemand zal helpen.

Lees ook: de mythe van het omstandereffect.

16 : het aangeleerde hulpeloosheidsexperiment van Martin Seligman

Uitgevoerd in 1967 aan de Universiteit van Pennsylvania

In 1965 deden Martin Seligman en zijn collega’s onderzoek naar klassieke conditionering, het proces waarbij een dier of mens een gebeurtenis met een andere associeert.

Seligman’s experiment bestond uit het luiden van een bel en vervolgens het toedienen van een lichte schok aan een hond. Na een aantal conditioneringen reageerde de hond al zodra hij de bel hoorde alsof hij geschokt was.

In de loop van dit onderzoek gebeurde er iets onverwachts. Elke hond werd in een grote kist geplaatst die in het midden was verdeeld met een laag hek. De hond kon over het hem heenkijken en springen. De vloer aan de ene kant van het hek werd geëlektrificeerd, maar aan de andere kant van het hek niet.

Seligman plaatste elke hond aan de geëlektrificeerde kant en gaf hem een lichte schok. Hij verwachtte dat de hond naar de niet-schokkende kant van de schutting zou springen. In een onverwachte wending gingen de honden echter gewoon liggen.

De hypothese was dat als de honden uit het eerste deel van het experiment leerden dat ze niets konden doen om de schokken te vermijden, ze het in het tweede deel van het experiment opgaven. Om deze hypothese te bewijzen brachten de eonderzoekers een nieuwe set honden binnen. Deze honden sprongen wel over het hek.

Deze toestand werd beschreven als aangeleerde hulpeloosheid, waarbij een mens of dier niet probeert om uit een negatieve situatie te komen, omdat het verleden hen heeft geleerd dat ze hulpeloos zijn.

17 : het klassenexperiment van Jane Elliott

Uitgevoerd in 1968 in een Iowa-klaslokaal

Jane Elliott’s beroemde experiment werd geïnspireerd door de moord op Dr. Martin Luther King Jr. en het inspirerende leven dat hij leidde. De lerares van de derde klas ontwikkelde een oefening om haar Kaukasische leerlingen te helpen de gevolgen van racisme en vooroordelen te begrijpen.

Elliott verdeelde haar klas in twee aparte groepen: leerlingen met blauwe ogen en leerlingen met bruine ogen. Op de eerste dag bestempelde ze de blauwogige groep als de superieure groep en vanaf dat moment hadden ze extra privileges. De bruinogige kinderen vertegenwoordigde de minderheidsgroep. Ze ontmoedigde de groepen om met elkaar om te gaan en selecteerde individuele studenten om de negatieve kenmerken van de kinderen in de minderheidsgroep te benadrukken.

Wat deze oefening liet zien was dat het gedrag van de kinderen vrijwel onmiddellijk veranderde. De groep blauwogige leerlingen presteerde academisch beter en begon zelfs hun bruinogige klasgenoten te pesten. De groep met bruine ogen had minder zelfvertrouwen en slechtere academische prestaties.

De volgende dag keerde ze de rollen van de twee groepen om en de blauwogige studenten werden de minderheidsgroep. Aan het einde van het experiment waren de kinderen zo opgelucht dat ze elkaar omarmden en het erover eens waren dat mensen niet beoordeeld moesten worden op basis van uiterlijke schijn. Deze oefening is sindsdien vele malen herhaald met vergelijkbare resultaten.

18 : het Stanford-prison-experiment van Philip Zimbardo

Uitgevoerd in 1971 aan de Stanford Universiteit

Een van de meest onethisch uitgevoerde maar ook meest geciteerde experimenten op het gebied van de psychologie is het Stanford-prison-experiment waarin psychologieprofessor Philip Zimbardo de aanname van rollen in een gekunstelde situatie wilde bestuderen.

Het Stanford-prison-experiment is ontworpen om het gedrag van “normale” individuen te bestuderen wanneer zij een rol van gevangene of bewaker toegewezen krijgen. Studenten werden gerekruteerd om deel te nemen en kregen de rol van “bewaker” of “gevangene” toegewezen. Zimbardo speelde zelf de rol van de bewaker.

De kelder van het psychologiegebouw was het decor van de gevangenis en er werd veel zorg besteed aan het er zo realistisch mogelijk uit te laten zien en aan te voelen. De gevangenisbewakers kregen de opdracht om twee weken lang een gevangenis te runnen. Ze kregen te horen dat ze tijdens de studie geen van de gevangenen fysiek geweld mochten aandoen.

Na een paar dagen werden de gevangenisbewakers verbaal erg grof tegen de gevangenen en veel van de gevangenen werden onderdanig aan degenen die een gezaghebbende rol speelden. Het experiment moest voortijdig worden afgebroken omdat sommige deelnemers volgens Zimbardo verontrustende tekenen vertoonden van geestelijke aftakeling.

Het experiment werd zeer onethisch uitgevoerd, waarbij Zimbardo het experiment vaak stuurde en mensen tot dingen aanzette. De effecten van het experiment zijn ook nooit in een vervolg-experiment gereproduceerd.

19 : de marshmallowtest van Walter Mischel

Uitgevoerd in 1972 aan de Stanford Universiteit

Walter Mischel van Stanford University wilde onderzoeken of uitgestelde beloning een indicator kan zijn voor toekomstig succes.

In zijn Marshmallow Experiment werden kinderen in de leeftijd van vier tot zes jaar meegenomen naar een kamer waar een marshmallow voor hen op tafel werd gezet. Voordat hij elk van de kinderen alleen in de kamer liet, liet de onderzoeker hen weten dat ze een tweede marshmallow zouden krijgen als de eerste marshmallow nog op de tafel lag nadat hij binnen een kwartier was teruggekeerd.

De onderzoeker registreerde hoe lang elk kind zich verzette tegen het eten van de marshmallow en keek of dit correleerde met het succes van het kind in de volwassenheid. Een klein aantal van de 600 kinderen at de marshmallow onmiddellijk op en een derde vertraagde de beloning lang genoeg om de tweede marshmallow te ontvangen.

In vervolgstudies vond Mischel dat degenen die beloning uitstelden significant competenter waren en hogere SAT-scores kregen dan hun leeftijdsgenoten, wat betekent dat dit kenmerk waarschijnlijk levenslang bij een persoon blijft.

Deze studie lijkt simplistisch maar de bevindingen schetsen een aantal van de fundamentele verschillen in individuele kenmerken die later succes kunnen voorspellen.

20 : het goede-samaritaan-experiment van John Darley en Daniel Batson

Uitgevoerd in 1973 aan het Theologische Seminarie van Princeton (de onderzoekers waren afkomstig van de Universiteit van Princeton).

In 1973 werd een experiment opgezet door John Darley en Daniel Batson om de mogelijke oorzaken te onderzoeken die ten grondslag liggen aan altruïstisch gedrag. De onderzoekers van het experiment stelden drie hypothesen vast die ze wilden testen:

  • Mensen die denken over religie en hogere principes zouden niet meer geneigd zijn om helpend gedrag te vertonen dan anderen.
  • Mensen met haast zouden veel minder geneigd zijn om helpend gedrag te vertonen.
  • Mensen die religieus zijn voor persoonlijk gewin zouden minder geneigd zijn om te helpen dan mensen die religieus zijn omdat ze spirituele en persoonlijke inzichten in de zin van het leven willen krijgen.

Studenten met religieus onderwijs kregen te horen dat ze van het ene naar het andere gebouw moesten gaan. Sommigen studenten was verteld verteld dat ze zich niet moesten haasten en anderen werden geïnformeerd dat snelheid van essentieel belang was. Sommige studenten gingen een toespraak houden over het helpen van anderen.

Tussen de twee gebouwen lag een acteur die gewond was geraakt en hulp nodig leek te hebben. Als de student geen haast had, stopte bijna tweederde om hulp aan te bieden. Als de student haast had daalde dit tot één op de tien.

Mensen die op weg waren om een toespraak te houden over het helpen van anderen stopten bijna twee keer zo vaak dan anderen, wat aantoont dat de gedachten van het individu een factor waren in het bepalen van helpend gedrag.

Religieuze overtuigingen leken niet veel verschil te maken op de resultaten; religieus zijn voor persoonlijk gewin, of als onderdeel van een spirituele zoektocht, leek niet veel merkbaar effect te hebben op de hoeveelheid getoond hulpgedrag.

21: het auto-ongeluk-experiment van Elizabeth Loftus en John Palmer

Uitgevoerd in 1974 aan de Universiteit van Californië.

Loftus en Palmer wilden bewijzen hoe bedrieglijk herinneringen kunnen zijn. Het Car Crash Experiment uit 1974 is ontworpen om te evalueren of de manier waarop vragen geformuleerd de herinnering van een ooggetuige kan beïnvloeden of veranderen.

De deelnemers keken naar dia’s van een auto-ongeluk en werden gevraagd om te beschrijven wat er was gebeurd, alsof ze ooggetuigen waren van de scène. De deelnemers werden in twee groepen geplaatst en elke groep werd ondervraagd met verschillende bewoordingen zoals: “hoe snel reed de auto op het moment van de botsing” versus “hoe snel reed de auto toen hij de andere auto raakte”.

De onderzoekers concludeerden dat het gebruik van verschillende werkwoorden de herinneringen van de deelnemers aan het ongeval beïnvloedde. Dit experiment toont aan dat het geheugen gemakkelijk kan worden vervormd. Informatie die na het incident door het brein wordt verzameld kan samensmelten met de oorspronkelijke herinnering waardoor het geheugen verkeerd kan worden opgeroepen of de herinnering kan worden gereconstrueerd.

Het toevoegen van valse details aan de herinnering van een gebeurtenis wordt confabulatie genoemd. Dit concept heeft zeer belangrijke implicaties voor de vragen die worden gebruikt bij politieverhoren van ooggetuigen.

22 : het valse-consensus-effect van Lee Ross

Uitgevoerd in 1977 aan de Stanford Universiteit

In 1977 voerde een professor in de sociale psychologie aan de Stanford Universiteit met de naam Lee Ross een experiment uit dat gericht is op hoe mensen ten onrechte kunnen concluderen dat anderen hetzelfde denken als zij. Ze creeeren een “valse consensus” over de geloofsovertuigingen en voorkeuren van anderen. Ross voerde een studie uit om te schetsen hoe het “valse consensus-effect” in de mens functioneert.

In het eerste deel van het onderzoek werd de deelnemers gevraagd om te lezen over situaties waarin zich een conflict voordeed. Vervolgens werden er twee alternatieve manieren verteld om op de situatie te reageren. Er werd hen gevraagd om drie dingen te doen:

  • te raden welke optie andere mensen zouden kiezen
  • te zeggen welke optie ze zelf zouden kiezen
  • de kenmerken te beschrijven van de persoon die waarschijnlijk de eerste optie en de tweede optie zou kiezen

Uit het onderzoek bleek dat de meeste proefpersonen geloofden dat andere mensen hetzelfde zouden doen als zijzelf, ongeacht welke van de twee antwoorden zij daadwerkelijk zelf kozen.

De tweede observatie die uit deze belangrijke studie komt, is dat wanneer deelnemers werd gevraagd om de eigenschappen te beschrijven van de mensen die waarschijnlijk de keuze tegenovergesteld zullen maken aan hun eigen keuze, zij heftige en soms negatieve voorspellingen deden over de persoonlijkheden van degenen die hun keuze niet deelden.

23 : het halo effect van Richard E. Nisbett en Timothy DeCamp Wilson

Studie uitgevoerd in 1977 aan de Universiteit van Michigan

Het Halo Effect stelt dat mensen over het algemeen aannemen dat mensen die fysiek aantrekkelijk zijn ook intelligenter en vriendelijker zijn en een beter beoordelingsvermogen te hebben. Het experiment van Nisbett en Wilson had tot doel een antwoord te vinden op de vraag of mensen zich bewust zijn van het halo-effect.

In het experiment namen studenten van de universiteit deel aan het onderzoek en werden ze gevraagd om een psychologiedocent te evalueren door hem te bekijken in een videointerview. De studenten werden willekeurig toegewezen aan een van de twee groepen, en elke groep kreeg een van de twee verschillende interviews te zien met dezelfde docent die een Franstalige Belg was en Engels spreekt met een vrij opvallend accent.

In de eerste video presenteerde de docent zich als iemand die sympathiek is, de intelligentie en motieven van zijn studenten respecteert, flexibel is in zijn benadering van het onderwijs en enthousiast is over zijn onderwerp. In het tweede interview presenteerde hij zich als veel minder sympathiek. Hij was koud en wantrouwend naar de studenten toe en was vrij rigide in zijn manier van lesgeven.

Na het bekijken van de video’s werd de studenten gevraagd de docent te beoordelen op zijn fysieke verschijning, zijn manier van doen en zijn accent. Ze beoordeelden de professor op een 8-punts schaal. Hen werd verteld dat de onderzoekers geïnteresseerd waren om te weten in hoeverre ze de leraar aardig vonden invloed had op de beoordeling. Aan andere proefpersonen werd juist gevraagd hoezeer de kenmerken die ze net beoordeelden beinvloedde hoe aardig ze de leraar vonden.

Na het beantwoorden van de vragenlijst waren de respondenten verbaasd over hun reacties op de videobanden en op de items van de vragenlijst. De studenten hadden geen idee waarom ze de docent in één geval een veel hogere waardering gaven. Ze waren ervan overtuigd dat ze hun oordeel gaven over het uiterlijk en het accent, en dat hun sympathie voor de spreker geen rol speelde.

Uit de resultaten bleek dat de proefpersonen zich duidelijk niet bewust waren van het halo-effect en de invloed van hun globale evaluatie op de individuele beoordelingen.

24 : de onzichtbare gorilla van Daniel Simons en Christopher Chabris

Uitgevoerd in 1999 aan de Harvard University

In 1999 voerden Simons en Chabris hun beroemde electieve aandacht bewustzijnstest uit op Harvard University.

Deelnemers aan het onderzoek werd gevraagd een video te bekijken en te tellen hoeveel passen er tussen de basketbalspelers van het witte team plaatsvonden. De video beweegt in een gematigd tempo en het bijhouden van de passen is een relatief eenvoudige taak.

Wat de meeste mensen niet opmerken te midden van hun telling is dat in het midden van de test een man in een gorillapak op de baan loopt en in het midden stond voordat hij van het scherm af liep.

Uit het onderzoek blijkt dat het merendeel van de proefpersonen de gorilla helemaal niet opmerkt, wat bewijst dat mensen hun vermogen om effectief te multitasken vaak overschatten.

Wat de studie wil bewijzen is dat wanneer mensen gevraagd worden om één taak bij te wonen ze zich zo sterk richten op dat element dat ze andere belangrijke details kunnen missen.

25 : de violist bij de metro door personeel van de Washington Post

Uitgevoerd in 2007 in een Washington D.C. Metro Station.

Een interessante studie werd uitgevoerd door het personeel van de Washington Post om te testen hoe oplettend de mensen zijn over wat er om hen heen gebeurt.

Tijdens de studie liepen voetgangers langs een muzikant die bij de ingang van de metrohalte speelde. Het was Joshua Bell, die twee dagen voor zijn spel in de metrohalte nog speelde voor een uitverkocht theater in Boston waar de zitplaatsen gemiddeld $100 bedroegen.

Hij speelde een van de meest ingewikkelde stukken ooit geschreven, op een viool ter waarde van 3,5 miljoen dollar. In de 45 minuten dat de muzikant zijn viool speelde, stopten slechts 6 mensen en bleven een tijdje. Zo’n 20 mensen gaven hem geld, maar bleven hun normale tempo volgen. Hij haalde 32 dollar op.

De studie en het daarop volgende artikel van de Washington Post maakte deel uit van een sociaal experiment waarin gekeken werd naar perceptie, smaak en de prioriteiten van mensen. Gene Weingarten schreef over het sociale experiment van de Washington Post en won later een Pulitzerprijs voor zijn verhaal.

Enkele van de vragen die in het artikel aan de orde komen zijn: Zien we de schoonheid om ons heen? Houden we op om het te waarderen? Herkennen we het talent in een onverwachte context? Het blijkt dat velen van ons niet zo opmerkzaam zijn op onze omgeving als we misschien zouden willen denken.