Hechting en hechtingsproblemen bij kinderen en volwassenen

Waarschijnlijk heb je wel eens iemand horen verklaren dat hij of zij altijd valt voor de verkeerde types, last heeft van ‘daddy-issues’ of ‘mommy-issues’, of kampt met bindings- of verlatingsangst. Al deze problemen hebben een goed omschreven psychologische basis; de hechtingstheorie.

Wat is de hechtingstheorie?

De hechtingstheorie of attachment theory vindt zijn oorsprong in het baanbrekende werk van John Bowlby (1958). In de jaren dertig van de vorige eeuw werkte John Bowlby als psychiater in een kinderbegeleidingskliniek in Londen, waar hij veel emotioneel verstoorde kinderen behandelde.

Deze ervaring bracht Bowlby ertoe om na te denken over het belang van de relatie van een kind met zijn primaire verzorger, vaak de moeder, voor zijn sociale, emotionele en cognitieve ontwikkeling. Bowbly’s en Ainsworth’s hechtingstheorie legt uit hoe de ouder-kind relatie ontstaat en hoe het de latere ontwikkeling beïnvloedt.

Wat is hechting?

Hechting wordt door Bowbly gedefinieerd als een diepe en blijvende emotionele band tussen twee mensen, waarbij elk van hen op zoek gaat naar nabijheid en zich zekerder voelt in de aanwezigheid van de ander.

Hechting is een blijvende psychologische verbondenheid tussen mensen

Jonh Bowbly (1969, p. 194)

Als je wordt geboren ben je voorgeprogrammeerd om je te verbinden met een zeer belangrijk persoon; je primaire verzorger. Zoals alle baby’s was je ooit een bundel van emoties, angst, boosheid, verdriet en vreugde. De emotionele band die tussen jou en je verzorger groeide was de eerste interactieve relatie van je leven.

Wanneer je tijdens je jeugd verwarrende, angstaanjagende of verbroken emotionele connectie ervaart groei je vaak uit tot een volwassene die moeite heeft met het begrijpen van zijn eigen emoties en de gevoelens van anderen. Dit beperkt je vermogen om succesvolle relaties op te bouwen of te onderhouden.

Dat betekent niet dat je je ouders altijd de schuld kan geven van je toxische relaties. Er is vaak veel tijd verstreken tussen je kindertijd en volwassenheid, en ook je tussenliggende ervaringen spelen een grote rol in je volwassen hechtingsstijl.

Kinderen die ambivalent of vermijdend gehecht zijn tijdens de kindertijd kunnen als volwassene veilig gehecht zijn, terwijl degenen die als kind veilig gehecht waren als volwassene een onzekere hechtingsstijl kunnen hebben.

Maar onderzoek op dit gebied geeft wel aan dat patronen die in de kindertijd zijn ontstaan een belangrijke invloed hebben op latere relaties.

Wat zijn hechtingsstijlen?

Hechtingsstijlen worden gekenmerkt door verschillende manieren van interactie en gedrag in relaties. Ze ontstaan in de vroege kinderjaren als reactie op de manier waarop je met je ouders of verzorgers omgaat en hoe zij omgaan met jou:

  • De hechtingsstijl wordt gekenmerkt door specifiek gedrag bij kinderen, zoals het zoeken naar nabijheid van de hechtingsfiguur wanneer een kind van streek is of bedreigd wordt.
  • Hechtingsgedrag van volwassenen ten opzichte van een kind omvat het gevoelig en passend reageren op de behoeften van het kind.
  • Een hechtingsband vormt zich het eerst met diegenen die accuraat reageren op de signalen van het kind, niet met de persoon met wie ze meer tijd doorbrengen.

Als volwassene beschrijven de hechtingsstijlen je gedragspatronen in romantische relaties.

Veilige hechting

Kind

Gaat af en toe weg bij de ouders
Zoekt troost bij de ouders als ze bang zijn
Begroet de terugkeer van ouders met positieve emoties
Verkiest ouders boven vreemden

Volwassene

Heeft duurzame relaties gebaseerd op vertrouwen
Heeft een goed gevoel van eigenwaarde
Deelt emoties met partners en vrienden
Zoekt sociale steun

Kinderen die veilig gehecht zijn raken over het algemeen zichtbaar overstuur als hun verzorgers weggaan en zijn blij als hun ouders terugkomen. Ze begroeten de terugkeer van een ouder met positief gedrag. Wanneer ze bang zijn, zullen deze kinderen troost zoeken bij hun ouder of verzorger. Hoewel deze kinderen tot op zekere hoogte getroost kunnen worden door andere mensen in de afwezigheid van een ouder of verzorger, geven ze duidelijk de voorkeur aan ouders boven vreemden.

Ouders van veilig gehechte kinderen hebben de neiging om meer met hun kinderen te spelen. Bovendien reageren deze ouders sneller op de behoeften van hun kinderen en reageren ze over het algemeen sneller op hun kinderen dan de ouders van onveilig gehechte kinderen.

Studies hebben aangetoond dat kinderen met een veilige hechting in een later stadium van hun kindertijd empathischer zijn. Deze kinderen worden ook beschreven als minder druk, minder agressief en volwassener dan kinderen met een ambivalente of vermijdende hechtingsstijl.

Als volwassenen hebben veilig gehechte mensen vaak langetermijnrelaties gebaseerd op vertrouwen. Andere belangrijke kenmerken zijn een hoge mate van eigenwaarde, het genieten van intieme relaties, het zoeken naar sociale steun en het vermogen om gevoelens te delen met andere mensen.

Onveilige hechting

Hoewel het vormen van een veilige hechting met zorgverleners normaal is gebeurt het niet altijd. Onderzoekers hebben een aantal verschillende factoren gevonden die bijdragen aan de ontwikkelen (of het ontbreken) van een veilige hechting.

Het gaat met name om de reactie van de belangrijkste zorgverlener op de behoeften van zijn of haar kind tijdens het eerste jaar van het leven:

  • Zorgverleners die inconsequent reageren of die de activiteit van hun kind verstoren krijgen kinderen die minder onderzoeken, meer huilen en angstiger zijn.
  • Zorgverleners die consequent de behoeften van hun kind afwijzen of negeren krijgen kinderen die contact proberen te vermijden.

Belangrijke oorzaken van onveilige hechting zijn onder andere:

  • Lichamelijke verwaarlozing
    slechte voeding, onvoldoende lichaamsbeweging en verwaarlozing van medische zaken
  • Emotionele verwaarlozing of emotioneel misbruik
    weinig aandacht voor het kind, weinig of geen moeite om de gevoelens van het kind te begrijpen; verbaal misbruik
  • Fysiek of seksueel misbruik
    lichamelijk letsel of aanranding
  • Verlies van verzorger
    door ziekte, overlijden, echtscheiding, adoptie
  • Inconsistentie van verzorger
    een voortdurende wisseling van kindermeisjes of personeel van kinderdagverblijven
  • Frequente verhuizingen of verplaatsingen
    een voortdurend veranderende omgeving zoals kinderen die hun eerste jaren in weeshuizen doorbrengen of die van pleeggezin naar pleeggezin verhuizen.
  • Traumatische ervaringen
    ernstige ziekten of ongevallen
  • Depressie of stress verzorger
    een terugtrekking uit de rol van de zorgverlener door isolatie, gebrek aan sociale steun, hormonale problemen
  • Verslaving aan alcohol of andere drugs verzorger
    een verminderde responsiviteit van de zorgverlener door bewustzijnsveranderende stoffen
  • Jonge of onervaren verzorger
    een verzorger die opvoedingsvaardigheden mist en geen netwerk heeft om te helpen

Hechtingsstijl: ambivalent gehecht

Kind

Kan op zijn hoede zijn voor vreemden
Word erg overstuur als de ouders weggaan
Voelt zich niet getroost als de ouders terugkomen

Volwassene

Heeft moeite met emotioneel dicht bij anderen komen
Maakt zich zorgen dat zij of haar partner niet van hem of haar houdt
Word erg radeloos als relaties eindigen

Kinderen die ambivalent gehecht zijn hebben de neiging om zeer achterdochtig te zijn ten opzichte van vreemden. Deze kinderen zijn verdrietig wanneer ze van een ouder of verzorger worden gescheiden, maar lijken niet gerustgesteld of getroost door de terugkeer van de ouder. In sommige gevallen kan het kind de ouder passief afwijzen door troost te weigeren, of kan zelfs directe agressie naar de ouder hebben.

Als volwassenen zijn mensen met een ambivalente hechtingsstijl vaak terughoudend om dicht bij anderen te komen en maken ze zich zorgen dat hun partner hun gevoelens niet beantwoordt. Dit leidt tot frequente scheidingen, vaak omdat de relatie voor hun partner koud en afstandelijk aanvoelt. Deze ambivalent gehechte volwassenen voelen zich vooral na het einde van een relatie erg aangeslagen.

Hechtingsstijl: vermijdend gehecht

Kind

Kan de ouders vermijden
Zoekt niet veel contact of troost bij de ouders
Toont weinig of geen voorkeur voor ouders boven vreemden

Volwassene

Kan problemen hebben met intimiteit
Investeert niet emotioneel in sociale en romantische relaties
Is onwillig of niet in staat om gedachten of emoties met anderen te delen

Kinderen met een vermijdende hechtingsstijl hebben de neiging om ouders en verzorgers te mijden. Deze vermijding wordt vaak bijzonder duidelijk na een periode van afwezigheid. Deze kinderen wijzen de aandacht van een ouder niet af, maar zoeken ook geen troost of contact. Kinderen met een vermijdende hechtingsstijl vertonen geen voorkeur tussen een ouder en een volslagen vreemde.

Wanneer een verzorger de behoeften van een kind afwijst of deze als overbodig behandelt, stopt het kind uiteindelijk met het aangeven van zijn behoeften. In plaats daarvan keert hij zich naar binnen, sluit hij zich af en leert hij zelfstandig en zelfredzaam te worden.

Als volwassenen hebben mensen met een vermijdende hechtingsstijl moeite met intimiteit en nauwe relaties. Deze mensen investeren niet veel emotie in relaties en ervaren weinig verdriet als een relatie eindigt. Vaak vermijden ze relaties compleet.

Als ze wel een relatie hebben vermijden ze intimiteit vaak door het gebruik van excuses zoals lange werkdagen of ze fantaseren tijdens de seks over andere mensen. Onderzoek heeft ook aangetoond dat volwassenen met een vermijdende hechtingsstijl vaker one-nightstands of ongebonden seks hebben.

Andere gemeenschappelijke kenmerken zijn het niet ondersteunen van partners in stressvolle tijden en het niet kunnen delen van gevoelens, gedachten en emoties met partners.

Hechtingsstijl: gedesorganiseerd gehecht

Kind

Toont een mix van vermijdend en resistent gedrag
Kan gedesoriënteerd, verward of angstig lijken
Kan een ouderrol op zich nemen voor andere kinderen
Kan als verzorger optreden tegenover de ouders

Volwassene

Bang om dichtbij of ver van de geliefde te komen.
Verlangt naar verbondenheid, maar creëert drama

Kinderen met een gedesorganiseerde-onzekere hechtingsstijl vertonen een gebrek aan duidelijk hechtingsgedrag. Hun acties en reacties op verzorgers zijn vaak een mix van de andere hechtingsstijlen, waaronder vermijding en weerstand. Deze kinderen worden beschreven als gedesoriënteerd, verward of angstig in de aanwezigheid van een verzorger.

Waarschijnlijk vertonen de verzorgers inconsequent gedrag en geven ze zowel angst als geruststelling aan hun kind. Omdat het kind zich zowel getroost als bang voelt voor de ouder ontstaat er verwarring.

Mensen met een gedesorganiseerde hechtingsstijl hebben vaak traumatische ervaringen met hun verzorger, zoals emotionele of fysieke mishandeling.

Als volwassene zijn ze tegelijkertijd bang om te dicht bij of te ver van zijn geliefde af te komen. Ze verlangen naar verbondenheid, maar creëeren drama, ruzie, en hebben soms wraakgevoelens ten opzichte van hun geliefde

Veranderen van hechtingsstijl

Het is mogelijk je hechtingsstijl te veranderen gedurende je leven. Dit kan door:

  • Therapie te volgen. Gebruik therapie om je verleden te begrijpen, je patronen te identificeren of de onderliggende mechanismen te begrijpen.
  • Relaties met mensen met een veilige hechtingsstijl aan te gaan. Dit zal je helpen om te leren hoe veilige hechting eruit ziet.
  • Communiceren met je partner(s). Regelmatige communicatie kan je helpen bij verwachtingen, het opbouwen van vertrouwen binnen de relatie en het aangeven van persoonlijke grenzen.

Conclusie

Hoewel volwassen romantische hechting misschien niet precies overeenkomen met de hechting uit de vroege kindertijd, is het duidelijk dat je vroegste relaties met zorgverleners een rol speelt in je latere relaties.

Lees ook 3 essentiele factoren in gezonde relaties (volgens de hechtingstheorie)

Lees meer

Bronnen

Ainsworth, M. D. S., & Bell, S. M. (1970). Attachment, exploration, and separation: Illustrated by the behavior of one-year-olds in a strange situation. Child Development, 41, 49-67.

Ainsworth, M. D. S. (1973). The development of infant-mother attachment. In B. Cardwell & H. Ricciuti (Eds.), Review of child development research (Vol. 3, pp. 1-94) Chicago: University of Chicago Press.

Ainsworth, M. D. S. (1991). Attachments and other affectional bonds across the life cycle. In C . M. Parkes, J. Stevenson-Hinde, & P. Marris (Eds.), Attachment across the life cycle (pp. 33-51). London: Routledge.

Bowlby, J. (1958). The nature of the childs tie to his mother. International Journal of Psychoanalysis, 39, 350-371.

Bowlby J. (1969). Attachment. Attachment and loss: Vol. 1. Loss. New York: Basic Books.

Bowlby, J., and Robertson, J. (1952). A two-year-old goes to hospital. Proceedings of the Royal Society of Medicine, 46, 425–427.

Dollard, J. & Miller, N.E. (1950). Personality and psychotherapy. New York: McGraw-Hill

Harlow, H. F. & Zimmermann, R. R. (1958). The development of affective responsiveness in infant monkeys. Proceedings of the American Philosophical Society, 102,501 -509.

Prior, V., & Glaser, D. (2006). Understanding attachment and attachment disorders: Theory, evidence and practice. Jessica Kingsley Publishers.

Schaffer, H. R., & Emerson, P. E. (1964). The development of social attachments in infancy. Monographs of the Society for Research in Child Development, 1-77.

mindfulness

In deze 8-weekse Mindfulness cursus krijg je een dagelijks stappenplan om thuis aan de slag te gaan met Mindfulness en meer rust en minder stress te ervaren.