wat is schematherapie en hoe helpt het patronen te doorbreken?

Wat is schematherapie en hoe helpt het patronen te doorbreken?

Een vorm van psychotherapie is schematherapie. Kort gezegd is schematherapie een vorm van therapie die je meer inzicht geeft in je eigen denk- en gedragspatronen. Veel mensen die met schematherapie beginnen, zijn op een bepaalde manier vastgelopen in hun leven of hun functioneren, en zitten in ingesleten denk- en gedragspatronen.

In de jaren negentig is de schematherapie ontwikkelt door de Amerikaanse psycholoog Jeffrey Young. Het viel hem op in zijn praktijk dat veel cliënten vastliepen in sterke, terugkerende patronen. Ze wisten rationeel wel dat het niet handig was, maar bleven in dezelfde valkuilen trappen.

Hoe werkt schematherapie?

In schematherapie werk je samen met een therapeut om je schema’s, die soms ‘vroege maladaptieve schema’s’ worden genoemd, te ontmaskeren en te begrijpen. Schema’s zijn niet-helpende patronen die sommige mensen ontwikkelen als als als kind niet aan hun emotionele behoeften voldaan wordt. Deze schema’s kunnen je je hele leven beïnvloeden en bijdragen tot problematische copingmethoden en gedragingen als ze niet aangepakt worden.

Schematherapie is een therapie die elementen combineert van onder andere cognitieve gedragstherapie (CGT), psychoanalyse, de hechtingstheorie, en emotiegerichte therapie. Met schematherapie leer je hoe je ervoor kunt zorgen dat je emotionele behoeften op een gezonde manier worden vervuld die geen onrust veroorzaakt.

Vaststellen welke schema’s en schemamodi iemand heeft, wordt gedaan met een vragenlijst. Daarna begint de behandeling. Hoe lang dit duurt, wisselt, maar het is geen kortdurende behandeling. Je kunt uitgaan van minstens een half jaar tot een jaar wekelijks. Schematherapie kan zowel individueel als in groepsverband gegeven worden. Ook de manier waarop verschilt.
De rode draad is dat er wordt gekeken waar deze ingesleten patronen vandaan komen, welke behoefte in het leven ermee wordt vervuld of juist ontkend en hoe dit op een gezondere manier gedaan zou kunnen worden, zodat het schema niet meer nodig is.

Leer je patronen te doorbreken

Schematherapie leert je om de oorsprong van je gedragspatronen te doorgronden, hun invloed op je alledaagse leven te onderzoeken en jezelf zodanig te veranderen dat je je beter gaat voelen en beter voor jezelf kunt zorgen en opkomen. Aan de hand van vele voorbeelden en online beschikbare invuloefeningen maakt Patronen doorbreken duidelijk hoe patronen van gedrag, gedachten en gevoelens zijn ontstaan en hoe je die kunt veranderen.

Wat zijn de kernbehoeften of basisbehoeften van een kind?

Een van de grootste factoren bij het ontstaan van schema’s is dat als kind niet aan je emotionele kernbehoeften voldaan wordt. Je hebt bijvoorbeeld een verstoorde relatie met hun ouders gehad, zijn juist overdreven beschermend opgevoed, hebben altijd veel druk en eisen opgelegd gekregen of juist helemaal geen. Young onderscheidt vijf basisbehoeften of kernbehoeften:

  • een gevoel van veiligheid en veilig gehecht zijn aan anderen
  • een gevoel van zelfidentiteit en autonomie
  • de vrijheid om te uiten hoe je je voelt en van anderen te vragen wat je nodig hebt
  • de mogelijkheid om te spelen en spontaan te zijn
  • veilige, bij de leeftijd passende grenzen en begrenzingen

Vier soorten negatieve ervaringen kunnen ook bijdragen tot de ontwikkeling van schema’s. Deze omvatten:

  • Onvervulde behoeften. Dit kan gebeuren als je geen genegenheid krijgt van verzorgers of er niet in slaagt aan andere emotionele kernbehoeften tegemoet te komen.
  • Traumatisering of slachtofferschap. Dit beschrijft een situatie waarin je misbruik, trauma, of soortgelijk leed hebt ervaren.
  • Overdreven verwennerij of gebrek aan grenzen. In deze situatie kunnen je ouders overbeschermend of overbetrokken geweest zijn. Ze hebben misschien niet de juiste grenzen voor je gesteld.
  • Selectieve identificatie en internalisatie. Dit slaat op de manier waarop je sommige houdingen of gedragingen van je ouders in je opneemt. Misschien identificeer je je met sommige ervan en verinnerlijk je andere. Sommige kunnen zich ontwikkelen tot schema’s, terwijl andere zich ontwikkelen tot modes, ook wel copingmethoden genoemd.

Lees ook: Ongekende gevoelens – Over emotionele bagage en de invloed daarvan op (volwassen) kinderen (bol.com)

Wat zijn de verschillende schema’s?

Schema’s hebben de neiging zich in de kindertijd te ontwikkelen en zijn meestal resistent tegen verandering. Maar als je ze onbeheerd laat kunnen schema’s negatieve patronen veroorzaken die vaak door ongezonde interacties versterkt worden.

Als je eenmaal een schema ontwikkeld hebt kan het onbewust je gedachten en handelingen beïnvloeden om emotionele pijn te voorkomen. Hoewel dit op korte termijn nuttig kan zijn, zijn de copingmethoden die schema’s creëren op lange termijn vaak ongezond of schadelijk. Young vatte achttien van die gedragspatronen samen en noemde ze schema’s. De achttien schema’s die Young onderscheidt zijn:

  1. Verlating: het aanhoudende gevoel dat belangrijke anderen je in de steek zullen laten
  2. Wantrouwen: de verwachting dat anderen je pijn zullen doen of misbruik van je maken
  3. Emotioneel tekort: de verwachting dat anderen niet in je emotionele behoeften zullen voorzien
  4. Tekortschieten/schaamte: het gevoel dat je slecht en minderwaardig bent en/of op belangrijke punten tekortschiet
  5. Sociaal isolement: het gevoel dat je vervreemd bent van de gemeenschap
  6. Afhankelijkheid, incompetentie: de overtuiging dat je niet in staat bent je dagelijkse verantwoordelijkheden na te komen zonder hulp
  7. Kwetsbaarheid voor ziekte en gevaar: de overdreven angst dat er elk moment een ramp kan gebeuren op medisch of emotioneel gebied of van buitenaf, zoals een natuurramp
  8. Onderontwikkeld zelf: een te sterke band met bijvoorbeeld ouders en de overtuiging dat je zonder hen niet zult kunnen overleven
  9. Mislukking: de overtuiging dat je mislukt bent of dat uiteindelijk zult worden
  10. Veeleisendheid/grootsheid: de overtuiging dat je superieur bent aan anderen
  11. Onvoldoende zelfcontrole: problemen met zelfdiscipline
  12. Onderwerping: afstaan van controle aan anderen en je onderwerpen in je behoeften, emoties of allebei, omdat je je daartoe gedwongen voelt
  13. Zelfopoffering: overmatige aandacht voor het tegemoet komen aan anderen en hun behoeften. Het verschil met onderwerping is dat dit min of meer vrijwillig gaat.
  14. Goedkeuring zoeken: grote nadruk op het krijgen van erkenning van anderen en jezelf daar voortdurend op aanpassen.
  15. Negativisme/pessimisme: een allesdoordringende gerichtheid op de negatieve dingen in het leven.
  16. Emotionele inhibitie: het onderdrukken van bepaalde gevoelens (zoals woede), impulsen of behoeften uit angst voor afkeuring of uit schaamte.
  17. Strenge normen/overkritisch zijn: het proberen te voldoen aan zeer strenge, geïnternaliseerde normen voor perfectie.
  18. Bestraffendheid: de overtuiging dat mensen, inclusief, jezelf, streng gestraft moeten worden voor hun fouten.

Deze 18 schema’s vallen allemaal in een van de vijf categorieën of domeinen:

  • Domein I, loskoppeling en afwijzing, omvat schema’s die het moeilijk maken om gezonde relaties te ontwikkelen.
  • Domein II, verminderde autonomie en prestaties, omvat schema’s die het moeilijk maken een sterk gevoel van zelf te ontwikkelen en als volwassene in de wereld te functioneren.
  • Domein III, verstoorde grenzen, omvat schema’s die zelfbeheersing aantasten en het vermogen om grenzen en begrenzingen te respecteren.
  • Domein IV, andersgerichtheid, omvat schema’s die je ertoe brengen de behoeften van anderen voorrang te geven boven die van jezelf.
  • Domein V, overwaakzaamheid en remming, omvat schema’s die voorrang geven aan het vermijden van falen of fouten door waakzaamheid, regels en het negeren van verlangens of emoties.

Wat voor copingstijlen creëren schema’s?

In schematherapie staan je reacties op schema’s bekend als copingstijlen. Deze kunnen betrekking hebben op gedachten, gevoelens, of gedragingen. Ze ontwikkelen zich als een manier om de pijnlijke en overweldigende emoties te vermijden die je als gevolg van een bepaald schema ervaart.

Er zijn geen vaste regels over welke schema’s tot bepaalde copingstijlen leiden. Je copingstijl kan gebaseerd zijn op je algemene temperament of zelfs op copingstijlen die je van je ouders leerde. Ze verschillen ook van persoon tot persoon. Twee mensen kunnen op hetzelfde schema met dezelfde stijl op heel verschillende manieren reageren. En twee mensen met hetzelfde schema kunnen ook met twee verschillende stijlen reageren. Ook kan je eigen copingstijl kan in de loop van de tijd veranderen, hoewel je nog steeds met hetzelfde schema te maken hebt.

Copingstijlen kunnen nuttig zijn in de kindertijd, want ze bieden een middel om te overleven. Maar in de volwassenheid kunnen ze schema’s versterken. De drie belangrijkste coping stijlen correleren losjes met de fight-or-flight of freeze reactie:

Overgave

Dit houdt in dat je een schema aanvaardt en er aan toegeeft. Het resulteert meestal in gedrag dat het schemapatroon versterkt of voortzet. Als je je bijveerbeeld overgeeft aan een schema dat zich vormde als gevolg van emotionele verwaarlozing als kind, kun je later in een relatie terechtkomen waarin emotionele verwaarlozing een rol speelt.

Vermijding

Dit houdt in dat je probeert te leven zonder het schema te triggeren. Je vermijdt misschien activiteiten of situaties die het mogelijk kunnen triggeren of waardoor je je kwetsbaar voelt. Het vermijden van je schema kan je vatbaarder maken voor middelengebruik, riskant of dwangmatig gedrag, en andere gedragingen die voor afleiding zorgen.

Overcompensatie

Dit houdt in dat je een schema probeert te bestrijden door er volledig tegenin te gaan. Dit kan een gezonde reactie op een schema lijken, maar overcompensatie gaat meestal te ver. Het leidt vaak tot handelingen of gedragingen die op de een of andere manier agressief, veeleisend, ongevoelig, of overdreven zijn. Dit kan zijn tol eisen in je relaties met anderen.

Wat zijn schemamodi?

Bij de schema’s ontwikkelde Young een lijst met schemamodi, verschillende rollen waar een persoon zich in kan bevinden. Modi kunnen behulpzaam (adaptief) of niet behulpzaam (maladaptief) zijn. Kort samengevat zijn de schemamodi uitvergrote trekken die ieder gezond mens bezit, maar dan in de ongezonde vorm. Een gezond mens heeft alle modi in balans in zich.

Het verschil met schema’s is dat schema’s altijd aanwezig zijn en tegelijk niet altijd zichtbaar, terwijl iemand kan schakelen tussen verschillende schemamodi die duidelijker te herkennen zijn als gedragspatroon.

De schemamodi die Young geformuleerd heeft, zijn als volgt:

  1. Kwetsbare kindmodus: voelt zich overstelpt door pijnlijke gevoelens
  2. Boze kindmodus: voelt zich boos, beledigd of teleurgesteld omdat niet toegekomen is aan behoefte
  3. Razende kindmodus: intense kwaadheid, beschadigender dan modus van het boze kind.
  4. Blije kindmodus: voelt zich blij, beschermd en speels
  5. Impulsieve kindmodus: handelt op basis van impulsen op een egoïstische of ongecontroleerde manier om zijn zin te krijgen.
  6. Ongedisciplineerde kindmodus: kan zich niet dwingen taken af te maken, raakt snel gefrustreerd of verveeld en geeft snel op.
  7. Afstandelijke beschermermodus: beschermt zichzelf door behoeften en gevoelens te blokkeren, onthecht zich emotioneel van anderen.
  8. Onthechte zelfsussermodus: leidt zichzelf af met zelfsussende activiteiten (middelenmisbruik, werken, slapen, sporten, sekualiteit) ter vermijding van vervelende gevoelens.
  9. Willoze inschikkelijkemodus: gedraagt zich passief en onderwerpend, uit geen eigen kernbehoeften of verlangens
  10. Zelfverheerlijkermodus: gedraagt zich op een egocentrische manier om zijn zin te krijgen, vertoont superieur of neerbuigend gedrag naar anderen.
  11. Pest- en aanvalmodus: kwetst en beheerst anderen of gedraagt zich passief agressief, om te overcompenseren voor of omgaan met misbruik, wantrouwen of tekortkomingen.
  12. Veeleisende oudermodus: vindt alleen perfectie goed genoeg, stelt hoge eisen aan zichzelf, kan vinden dat het uiten van gevoelens fout is.
  13. Straffende oudermodus: vindt dat hijzelf straf verdient en gedraagt zich hierom beschuldigend, bestraffend of misbruikend naar zichzelf.
  14. Gezonde volwassenemodus: is eigenlijk al het bovenstaande in balans. Komt op voor zichzelf maar kan ook geven, gedraagt zich gezond aangepast volwassen en functioneert verantwoordelijk.

Schemamodi helpen therapeuten schema’s te groeperen, zodat ze ze als een enkele gemoedstoestand kunnen aanpakken, in plaats van als afzonderlijke trekken. Schemamodi worden in vier categorieën onderverdeeld:

  • Kindermodi worden gekenmerkt door kinderlijke gevoelens en gedragingen.
  • Disfunctionele copingmodi worden gebruikt om emotioneel leed te voorkomen, maar versterken uiteindelijk het schema.
  • Disfunctionele oudermodi zijn internalisaties van kritische, veeleisende, of harde ouderstemmen.
  • De ‘gezonde volwassene’-modus vertegenwoordigt je gezonde, functionele zelf. Deze modus kan helpen de andere modi te reguleren door grenzen te stellen en de effecten van andere modi tegen te gaan.

Wat zijn de doelen van schematherapie?

In schematherapie werk je samen met je therapeut om:

  • schema’s te identificeren en te beginnen met helen
  • copingstijlen die emotionele behoeften in de weg staan te identificeren en aan te pakken
  • patronen van gevoelens en gedrag te veranderen die uit schema’s voortkomen
  • leren hoe je op gezonde, adaptieve manieren aan je emotionele kernbehoeften tegemoet kunt komen
  • leren hoe je op een gezonde manier kunt omgaan met frustratie en ontreddering als aan bepaalde behoeften niet voldaan kan worden

Uiteindelijk zal dit alles je helpen een sterke, gezonde volwassen modus te ontwikkelen. Een goed ontwikkelde gezonde volwassen modus kan andere modi helpen genezen en reguleren en je helpen voorkomen dat je overweldigd wordt door de effecten ervan.

Welke technieken worden gebruikt?

Schematherapeuten kunnen in de loop van de therapie verschillende technieken gebruiken. Bepaalde technieken kunnen voor sommige mensen en schema’s beter werken dan voor andere. Als een bepaalde techniek voor jou niet werkt, laat dat dan zeker aan je therapeut weten.

Houd er daarbij rekening mee dat je relatie met je therapeut een belangrijk onderdeel is van schematherapie. Er zijn twee belangrijke concepten die opduiken in veel van de technieken die in schematherapie gebruikt worden. Beide werken het best als je je veilig en op je gemak voelt bij je therapeut. Deze begrippen zijn:

  • Empathische confrontatie. Je therapeut valideert de schema’s die in therapie naar boven komen, biedt begrip en empathie terwijl hij of zij je helpt het belang van verandering in te zien.
  • Beperkte herstelling. Je therapeut helpt emotionele behoeften te vervullen waaraan in je kindertijd niet voldaan werd, door veiligheid, medeleven en respect te bieden.

Over het algemeen worden deze concepten uitgevoerd met technieken die in vier categorieën vallen:

Emotief

Emotieve technieken houden in dat je emoties gebruikt om schema’s tegen te gaan. Ze helpen je emoties volledig te ervaren en ze te uiten in de veiligheid van de therapie. Veel voorkomende emotieve technieken zijn geleide beeldspraak en rollenspel.

Interpersoonlijk

Interpersoonlijke technieken helpen je je relaties te onderzoeken om manieren te ontdekken waarop schema’s ze beïnvloeden. Zien hoe schema’s en reacties in therapie uitspelen kan je helpen soortgelijke patronen in je leven bloot te leggen. Dit kan inhouden dat je een partner of goede vriend(in) meeneemt naar een therapiesessie.

Cognitief

Cognitieve technieken houden in dat je schadelijke denkpatronen die uit schema’s voortkomen identificeert en uitdaagt. Je werkt samen met je therapeut om levenservaringen te bekijken op bewijzen die het schema ondersteunen of tegenspreken. Dit kan gebeuren door het gebruik van flashcards of gestructureerde gesprekken waarin je je zowel vóór als tegen een schema uitspreekt.

Gedragsmatig

Gedragstechnieken helpen je positieve, gezonde keuzes te leren maken door de gedragspatronen te veranderen die het gevolg zijn van je copingstijl. Om gedragspatronen te veranderen, kun je aan communicatievaardigheden werken door middel van rollenspel of met je therapeut een probleem en oplossing doorspreken. Hij of zij kan je ook wat oefeningen geven om tussen de sessies door te doen.

Waar kan schematherapie bij helpen?

Schematherapie kan helpen bij veel geestelijke gezondheidsproblemen, waaronder eetstoornissen en depressie. Het meeste van het bestaande onderzoek heeft gekeken naar de rol van schematherapie bij de behandeling van borderline persoonlijkheidsstoornis en andere persoonlijkheidsstoornissen. Tot nu toe zijn de resultaten veelbelovend.

Een schema hoeft met de juiste therapie niet iets permanents te zijn. Belangrijk is om inzicht te krijgen in de eigen problemen en waar de schema’s voor gebruikt worden. En dan kan een schema afvlakken tot een gewone karaktertrek. Iemand met het schema hoge eisen zal waarschijnlijk altijd wel kritisch blijven, maar niet meer op het ongezonde af.

Iemand met het schema afhankelijkheid/incompetentie zal zich waarschijnlijk altijd af en toe druk blijven maken of hij het wel goed doet, maar leert hiermee om te gaan. En iemand die schematherapie succesvol heeft doorlopen, zal niet meer de hele tijd van het kwetsbare kind naar de straffende ouder en terug schieten. De ingesleten patronen zijn verlegd of verdwenen.

E-book over borderline:

In deze dsmmini komen mensen met borderline, naasten en hulpverleners aan het woord. Hoe zien en ervaren zij borderline persoonlijkheidsstoornis?
Je leest het in de ervaringsverhalen, interviews, artikelen, quotes en Q&A’s.
Voor iedereen die, op wat voor manier dan ook, te maken heeft met borderline en op zoek is naar herkenning of nieuwe inzichten.

Dit e-book is een PDF, je kunt hem lezen op je computer of telefoon zonder e-reader!

Bronnen

  • Bamelis LLM, et al. (2014). Results of a multicenter randomized controlled trial of the clinical effectiveness of schema therapy for personality disorders. DOI:
    10.1176/appi.ajp.2013.12040518
  • Beckley K. (n.d.). Schema therapy. 
    contemporarypsychotherapy.org/vol-2-no-2/schema-theray
  • Bricker DC, et al. (2012). A client’s guide to schema therapy. 
    davidbricker.com/clientsguideSchemaTherapy.pdf
  • Dadomo H, et al. (2106). Schema therapy for emotional dysregulation: Theoretical implication and clinical applications. DOI:
     10.3389/fpsyg.2016.01987
  • Dieckmann E, et al. (2015). Scheme therapy: An approach for treating narcissistic personality disorder. DOI:
    10.1055/s-0035-1553484
  • Fassinder E, et al. (2016). Emotion regulation in schema therapy and dialectical behavior therapy. DOI: 
    10.3389/fpsyg.2016.01373
  • Masley SA, et al. (2012). A systematic review of the evidence base for schema therapy. DOI:
    10.1080/16506073.2011.614274
  • van Vreeswijk M, et al. (2012). The Wiley-Blackwell handbook of schema therapy: Theory, research, and practiceMalden, MA: John Wiley & Sons. 
  • Young J, et al. (2006). Schema therapy: A practitioner’s guideNew York, NY: The Guildford Press.